Volgens Miriam Clifford zijn er twintig zaken die je moet weten als je samenwerkend leren gaat toepassen. Een mooi samenvattend overzicht, al wil ik bij een paar kenmerken nuanceringen plaatsen.
Ervaringen met online samenwerkend leren
Het artikel Using Piazza to Encourage Interaction gaat over toepassen van een web 2.0-tool voor samenwerkend leren. Ik vind vooral de geleerde lessen interessant.
Organisatie- en cultuurfactoren zijn de redenen als online samenwerken en het gebruik van online samenwerkingstools geen succes zijn. Dat stelt Danny Oosterveer in De valkuilen van online samenwerken in projecten. Volgens hem spelen communicatie en samenwerking daarin vaak een sleutelrol. In hoeverre zijn de valkuilen die hij beschrijft, ook relevant voor samenwerken leren met behulp van ICT? Die vertaalslag wil ik maken.
Continue reading »
Ben Betts onderzoekt in How Can Social Learning Scale Massively? Lessons from World of Warcraft wat we kunnen leren van de zogenaamde massively multiplayer online role playing games (MMORPGs zoals World of Warcraft), als het gaat om samenwerkend leren.
Volgens Betts zijn betekenisvolle relaties van groot belang voor social learning. Als je sociale media gebruikt voor leren is het echter schier onmogelijk om in een netwerk van 10.000 mensen (bijvoorbeeld binnen een groot bedrijf) dergelijke relaties te ontwikkelen. Verdeel dus die groep in kleine delen, op een autonome basis. Binnen MMORPGs maakt men gebruik van domeinen, waarbinnen men speelt. Deze gebieden zijn individuele kopieën van het spel, waarbinnen spelers opdrachten alleen en met anderen uitvoeren.
Small groups of players, banded together autonomously as “guilds” form to take on the bigger challenges.
Binnen deze omgeving kunnen meerderen groepen tegelijkertijd aan dezelfde uitdaging werken. Elke speler moet gemotiveerd zijn om aan de taak te werken. Je kun namelijk vaak maar met een beperkte groep spelers werken aan een opdracht. De groepen hebben ook vaak een hechte relatie met elkaar. Groepen hebben vaak ook onderling contact met elkaar. Betts schrijft:
But the ability to showcase skill and discuss tactics with other guilds is one of the biggest drivers of online communities outside of the actual game environment.
Het vormen van kleine groepen is volgens de auteur dan ook van groot belang bij social learning. Hij vraagt zich daarbij wel af hoe je de voordelen van de massa bij het oplossen van vraagstukken daarbij kunt handhaven, en collectief leren kunt realiseren. De oplossing hiervoor ligt volgens Betts in divers samengestelde groepen, het lidmaatschap van meerdere groepen en het collectief beschikbaar stellen van resultaten van een groep om vervolgens met z'n allen te stemmen over de beste oplossing (hoe complexer het vraagstuk des te moeilijker dit laatste is uit te voeren, vrees ik).
Wat mij hierbij opvalt, is dat een aantal van deze lessen overeenkomt met wat we weten uit onderzoek naar computer supported collaborative learning (CSCL). Daaruit zijn ook conclusies te trekken over de omvang en samenstelling van groepen. Waar Betts geen aandacht aan besteed, en onderzoek naar CSCL wel, is aan de aard van de taak/opdracht. Sommige vraagstukken lenen zich er prima voor om aan de menigte voorgelegd te worden, voor andere taken zijn kleinere groepen meer geschikt. Zie daarvoor de inzichten van James Surowiecki en alweer onderzoek naar CSCL.
De online expertles (#in)
Op Leraar24 ben ik vanavond een video tegengekomen over 'De expertles'. Dit is een werkvorm, die gericht is op samenwerkend leren.
In een expertles krijgen leerlingen een opdracht die ze voor zichzelf uitwerken. Daarna gaan ze in een expertgroepje samen het ideale antwoord formuleren om dat vervolgens weer aan een ander groepje uit te leggen.
De werkvorm wordt in deze film toegepast voor natuurkundeonderwijs, maar is zeker ook toepasbaar bij andere onderdelen (mits de opdracht uitdagend genoeg is).
Een mooie manier van van coöperatief leren, waarbij lerenden niet alleen meer leren over de vakinhoud. Zij leren onder andere ook samenwerken, overtuigen, helder formuleren, luisteren, en kritische vragen stellen.
Wat mij in het filmpje opvalt, is dat ICT amper hierbij wordt gebruikt. Natuurlijk: de leerlingen zullen ongetwijfeld het internet (en eventueel good old CD ROMS) gebruiken om informatie op te zoeken. Volgens mij is echter meer mogelijk. Bijvoorbeeld:
- Dankzij ICT kun je deze werkvorm ook toepassen met groepen van verschillende scholen, uit verschillende landen. De lerenden leren dan ook in het Engels formuleren. Bovendien kun je het culturele perspectief bij het onderwerp betrekken (indien relevant).
- Met behulp van ICT kun je ook meer, en meer afwisselende, bronnen gebruiken. Daarbij denk ik ook aan experts van vlees en bloed die bijvoorbeeld online geïnterviewd kunnen worden.
- Als lerenden schriftelijk met elkaar communiceren, werken zij ook aan hun schriftelijke taalvaardigheden. De kans is ook groot dat zij zich zorgvuldiger gaan uitdrukken omdat bijdragen in bits en bytes worden vastgelegd. Dit geldt zowel voor het het presenteren van de oorspronkelijke bijdrage, als voor de peer feedback. Bovendien geldt dat lerenden schriftelijk vaak beter in staat zijn om hun gedachten opnieuw te structureren. Je leert ook vaak meer als je gevonden informatie schriftelijk verwerkt. Deze manier van werken is overigens wel intensiever.
- Leerlingen kunnen ook hun bevindingen inspreken via een pocketcamera, en het eindresultaat online publiceren. Je bent hierdoor waarschijnlijk beter in staat om feedback te geven op de spreekvaardigheden. Bovendien ontwikkelen zij hiermee digitale vaardigheden (opnemen, monteren, publiceren).
- Je bent beter in staat aandacht te schenken aan veel gemaakte fouten, als lerenden een deel van dit proces buiten de bijeenkomsten om uitvoeren. Tijdens de groepsbijeenkomsten kun je dan aandacht besteden aan de rode draad, en aan gemeenschappelijke feedback.
- Je bent als docent beter in staat om de voortgang te monitoren. In een klas heb je, tijdens discussies in subgroepen, niet altijd de gelegenheid om evenveel aandacht te schenken aan elke groep. Leerlingen krijgen ook minder de kans om zich 'te drukken', nu zij allemaal individueel zichtbare bijdragen moeten leveren. Een risico is wel dat leerlingen sneller overgaan op het kopiëren en plakken. Bij mondelinge presentaties moeten zij zich de informatie veel meer eigen maken.
Positief beeld virtual action learning (#in)
In de rapportage Lerend lesgeven met ICT doen het IVLOS en Citowoz verslag van het tweejarige project "Lerend Lesgeven met ICT". In dit project stond leren via de onderwijsmethodiek Virtual Action Learning (VAL) en de Virtuele LeerCommunity (VLC) -die speciaal voor deze methodiek is ontwikkeld- centraal. Er komt een positief beeld over deze methodiek voor samenwerkend leren met behulp van ICT uit naar voren.
De rapportage beschrijft de ervaringen van elf pilots op vier verschillende onderwijsinstellingen (ervaringen van docenten en studenten, knelpunten en geleerde lessen). Verder wordt de VAL-methodiek beschreven (hoofdstuk 4). In de loop van het project zijn de VAL-methodiek en de VLC doorontwikkeld. Dit proces staat ook beschreven in de eindrapportage.
Wat opvalt, is dat verschillende vragen centraal stonden in de pilots. Wel zijn dezelfde onderzoeksinstrumenten gebruikt. Het een en ander leidt tot een diversiteit aan conclusies. Toch slagen de auteurs -hun namen ontbreken helaas- er in om in paragraaf 3.7. over all conclusies en aanbevelingen te formuleren.
Docenten en studenten van de verschillende pilots zijn over het algemeen positief over de methodiek en de community. Leerresultaten zijn ook positief, hoewel het natuurlijk lastig is wat dat betreft een eenduidig verband te leggen.
Ten aanzien van één stap in de methodiek staan diverse respondenten kritisch: het nomineren van een leerproduct als best practice. Deze stap wordt sterk gekoppeld aan competitie. Verder heeft men vaak geworsteld met het vinden van een goede balans tussen sturing door docenten en zelfverantwoordelijkheid. Wellicht was de duur van de pilots te kort om sturing geleidelijk af te bouwen.
Al met al geeft dit rapport dus een behoorlijk positief beeld van Virtual Action Learning als methodiek voor computer supported collaborative learning. Tijdens de Onderwijsdagen van 2009 heb ik deze methodiek aan den lijve mogen meemaken. Toen was ik enthousiast. Op basis van dit evaluatierapport is dit enthousiasme bepaald niet getemperd.
Beoordelen bij samenwerkend leren met behulp van ICT (#in)
Diverse onderzoeken laten zien dat Computer Supported Collaborative Learning (CSCL), oftewel samenwerkend leren met behulp van ICT, een effectieve vorm van leren kan zijn. Eén van de lastigste onderdelen van CSCL is het beoordelen. 7 Things You Should Know About Assessing Online Team-Based Learning gaat in op dit aspect van CSCL:
Developing and implementing a transparent assessment process that both supports and recognizes individual and group learning can generate a powerful combination of interdependency and peer cooperation. Online assessment tools that evaluate both individual and group effort support this dynamic, fostering the reliance on community that is becoming an increasingly important feature of the online academic landscape.
Volgens de samenstellers moet je bij het ontwerpen van CSCL-leeractiviteiten er voor zorgen dat zowel regelmatige groepsevaluatie plaats vindt als individuele evaluatie. Zij pleiten er onder meer voor dat groepsleden feedback geven over elkaars deelname, bijdragen en aanwezigheid.
Gisteren vond de eerste Fronter-gebruikersdag voor het middelbaar beroepsonderwijs plaats. De organisatie (waar ik deel van uit maakte) had een aantal sleutelfiguren uit de deelnemende organisaties uitgenodigd om te luisteren naar een openingstoespraak en een afsluitende presentatie. Verder hadden we drie workshoprondes van vier sessies.
De presentatie waar ik het meest enthousiast van raakte was -godbetert- van één van de key users van mijn eigen instelling, Gilde Opleidingen.
Bert Utens is teammanager bij Zorg en Welzijn. Hij heeft het afgelopen jaar een groep van acht tweedejaars leerlingen binnen Fronter leerstof laten ontwikkelen over het ziektebeeld Reuma. Bert had vier leerlingen meegenomen die met hem de workshop verzorgden.
Opvallend gegeven: het ontwikkelen van dit materiaal maakte geen deel uit van het curriculum. Bert had de leerlingen op vrijwillige basis gevraagd mee te doen. Ze kregen er ook geen cijfer voor.
De leerlingen hebben zelf gezorgd voor een onderlinge taakverdeling. Doordat de ene leerling ICT-vaardiger was dan de ander, leverde men verschillende producten af. De inspanning van alle leerlingen was echter vergelijkbaar.
De leerlingen zijn gedurende een aantal weken (in totaal een uur of zes) erg enthousiast aan de slag gegaan met het verwerken van leerstof (uit boeken en via internet verzamelen van informatie en het in eigen woorden samenvatten er van), het maken van video's (wat zijn goede en foute behandelswijzen?) en het bedenken van betekenisvolle discussiestellingen en multiple choicevragen. De laatste twee leeractiviteiten vond men het meest complex. Het resultaat was een website binnen Fronter, die gedeeld kon worden met andere leerlingen. De leerlingen gaven aan het eindresultaat eigenlijk graag met meer mensen te willen delen (via internet).
De leerlingen vonden dit een motiverende manier van werken. Het liefste zou men vaker op deze manier met leerstof bezig zijn. Ze gaven ook aan er veel van geleerd te hebben (vooral van hun eigen taak). Als verbeterpunten gaven zij aan:
- Biedt vooraf een structuur aan, die meer handvatten biedt om te werken.
- Maak leerlingen wegwijs in de technische handelingen binnen Fronter (nu moest men veel zelf uitzoeken).
Wat mij betreft een mooi voorbeeld van co-creatie. Zelf heb ik nog als aandachtspunt: het leggen van meer nadruk op het ontwikkelen van synergie tussen de verschillende leerresultaten, aan het vergroten van de wederzijdse betrokkenheid van leerlingen om een gezamenlijk probleem ook echt samen op te lossen (samenwerkend leren in plaats van coöperatief leren). Ook zou ik deze manier van leren integreren in het curriculum.
Ik wist dat Bert met dit initiatief bezig was. Maar het ging voor mij echt leven toen ik zag en hoorde hoe enthousiast hij en zijn leerlingen met deze leeractiviteit aan de slag zijn gegaan. Petje af! Tevens zag ik heel veel van mijn opvattingen over motivatie in deze werkwijze terug.
Handleiding samenwerkend leren (#in)
De Educause learning initiative heeft een handleiding samengesteld waarmee je een tweedaagse workshop over samenwerkend leren kunt opzetten. De gids bestaat uit vijf onderdelen (PDF-documenten):
- Inleiding (o.a. leerdoelen, suggesties voor het format, suggesties voor activiteiten voorafgaande aan de workshop).
- Welke technologieën kun je gebruiken voor samenwerkend leren (met een zwaar accent op web 2.0)?
- Collaborative Learning Spaces: welke ruimtes zijn geschikt voor samenwerkend leren? Daarbij maken de samenstellers onder meer een onderscheid in formele, informele en virtuele ruimtes. Dankzij draadloze netwerken en mobiele technologie kunnen steeds meer informele ruimtes (bijvoorbeeld op een campus) gebruikt worden om te leren. Dit onderdeel besteedt ook aandacht aan interaction design:
- Identificeer wat we (samen) willen doen.
- Identificeer hoe we dat het beste (samen) kunnen doen.
- Identificeer de mogelijkheden die de campusruimte biedt.
- Match de ruimte met de samenwerkende leer/werkactiviteiten.
- Beoordelen van samenwerkend leren (besteed ook aandacht aan individuele leerprestaties). Dit is het meest uitgebreide onderdeel.
- Doceer- en leerstrategieën voor samenwerkend leren.
De gids bevat ook een lijst met aanvullende bronnen.
Al met al een handige gids. Het enige dat ik mis zijn de theoretische achtergronden van samenwerkend leren (waar komt het vandaan, wanneer wel of niet geschikt), ook al stippen de auteurs dit bij de doceer- een leerstrategieën kort aan.
Samenwerken leren in groepen vs coöperatief leren in netwerken
Interessante bijdrage van Stephen Downes over groepen, netwerken, samenwerking en coöperatie. Volgens Stephen is samenwerking (collaboration) verbonden met groepen, terwijl coöperatie bij netwerken hoort:
The significant difference is that, in the former (groepen, WR), the individual is subsumed under the whole, and becomes a part of the whole, which is created by conjoining a collection of largely identical members, while in the latter (netwerken, WR), the individual retains his or her individuality, while the whole is an emergent property of the collection of individuals.
Volgens Downes verschillen samenwerking en coöperatie op vier dimensies van elkaar:
- Autonomie (bij samenwerking is sprake van wederzijdse afhankelijkheid, bij coöperatie niet).
- Diversiteit (bij samenwerking is men gericht op hetzelfde doel, bij coöperatie verwacht men geen gemeenschappelijkheid).
- Openheid (een groep is meer gesloten dan een netwerk).
- Interactiviteit (bij samenwerking is meer sprake van informatie vanuit het centrum naar de periferie, bij coöperatie is meer sprake van gelijkwaardigheid van communicatie en connectiviteit).
Groepen en samenwerking gaan meer uit van 'massa', netwerken en coöperatie van 'organisatie'. Aldus Downes.
Een zinvol onderscheid, hoewel hij op het gebied van 'massa' en 'organisatie' wat mij betreft wat doordraaft. Ik heb een tijd geleden ook een onderscheid gemaakt tussen leren in communities (gemeenschappen, groepen) en leren in netwerken. Ik herken de vier dimensies van Downes wel. Hoewel ik liever spreek van een gemeenschappelijk belang versus een gemeenschappelijke interesse. En wat betreft interactiviteit zou ik liever willen spreken van een verschillende wijze van communiceren.
Downes sluit men zijn onderscheid overigens (onbewust?) aan bij het onderscheid tussen collaboration en cooperation in de literatuur over computer supported collaborative learning. Cooperative learning wordt dikwijls opgevat als een vorm van samenwerken waarbij het werk onder leerlingen of studenten wordt verdeeld en elke lerende verantwoordelijk is voor een deelproduct. Collaborative learning impliceert een wederzijdse betrokkenheid van leerlingen of studenten om een gezamenlijk probleem samen op te lossen.