mrt 152012
 

Vanmiddag verzorg ik tijdens de aftrap van een project een inleiding over elektronische leeromgevingen en didactiek. Ik zal aangeven dat een elektronische leeromgeving didactisch gezien vaak onbenut blijft, maar dat een ELO wel degelijk meerwaarde kan hebben.

Continue reading »

jan 282012
 

Hoe ziet de elektronische leeromgeving eruit in het schooljaar 2015/2016? Die vraag stelde Louis Hilgers onlangs aan mij, en aan een aantal andere betrokkenen. Het resultaat is het artikel Hoe ziet de elo eruit in het schooljaar 2015/2016?, dat gisteren op Kennisnet is verschenen. Mijn oorspronkelijke bijdrage was veel uitgebreider. En deze wil ik hier delen. Ik ga o.a. ook in op de impact van het vernieuwde iTunesU. Ik geloof overigens dat de contouren van de elektronische leeromgeving van 2015/16 nu al zichtbaar zijn.

Continue reading »

nov 182011
 

Ik kreeg gisteren een mail van het Nederlands Netwerk voor Open- en Afstandsleren (NNOAL) over het project VLEs4VET: een Europees project rond implementaties van elektronische leeromgevingen. Dit project is onlangs beëindigd.

Er is kwantitatief onderzoek verricht naar de bevindingen bij het kiezen en implementeren van een ELO voor (beroeps)onderwijs in diverse Europese landen. Dit is aangevuld met een verzameling van best practices. (…) Een samenwerkingsverband van beroepsopleidingen in Dublin gaat de opbrengsten en adviezen inzetten bij hun keuze- en implementatieproces. Misschien ook interessant voor u als u voor een ELO-keuze staat of wilt overstappen naar een ander platform. Ook als u scholen hierbij begeleidt! Of bent u ELO-ontwikkelaar/leverancier? Dan treft u zeker waardevolle tips in de bevindingen aan.

Het meest interessante aan de website van het project is het onderdeel downloads. Je vindt hier onder meer lesplannen en een overzicht van quick wins van een elektronische leeromgeving. In het Engels, dat wel. Het onderdeel "Reflections regarding implementation and experiences with implementation of a VLE" wordt nog toegevoegd.

nov 082011
 

Dit bericht is oorspronkelijk gepost op de weblog van Dé Onderwijsdagen 2011. 

Hogeschool Windesheim Flevoland heeft een nieuwe ‘elektronische leeromgeving’ ontwikkeld, waarin sociale media een grote rol spelen. Gertjan Flinterman presenteerde tijdens Dé Onderwijsdagen 2011 de omgeving met de naam WISE.

Flinterman schetste eerst de realisatie van Hogeschool Windesheim Flevoland. In 2010 begonnen, als onderdeel van Windesheim maar met o.a. een eigen didactisch concept.

Traditionele ICT-faciliteiten

In dit onderwijsconcept staat projectmatig creëren (opleiding faciliteert co-creatie), persoonlijk contact, doorlopend studeren en het opbouwen van zelfstandigheid centraal. De traditionele ICT-faciliteiten van Windesheim konden dit concept onvoldoende mogelijk maken. Het voordeel van deze hogeschool was dat men met een blanco blad kon starten, ook wat ICT betreft.

Vanuit verschillende persona’s (user cases, bijvoorbeeld rond studenten en docenten) heeft men een functioneel ontwerp gemaakt voor de nieuwe omgeving. Uit die user cases kwam vooral de behoefte aan een samenwerkingsomgeving naar voren.

Gebruiker centraal

In een demo liet Flinterman onder meer zien hoe de gebruiker centraal staat, hoe onderwijs wordt aangeboden, hoe er wordt samengewerkt, hoe je informatie kunt zoeken en vinden en hoe de portaalfunctie werkt (één centraal punt voor alle ICT-voorzieningen).

Bij de gebruiker centraal kunnen studenten zichzelf bijvoorbeeld profileren, of zelf communities aanmaken en aanpassen. Ook kun je mededelingen meer gericht doen. Als gebruikers inloggen komen zij in een persoonlijke pagina, waarin de activity stream centraal staat. Als gebruiker bepaal je zelf welke informatie jij wilt zien. Uitzonderingen daarbij zijn centrale communities waar gebruikers verplicht lid van zijn. Het verplichte deel is echter zo klein mogelijk gemaakt.

Eigenaar community

Bij het aanbieden van onderwijs is de docent eigenaar van een community. Docenten moeten de opleidingscommunity van de eigen opleiding of het eigen vak gebruiken voor opleidingsgerelateerde informatie. Deze ruimtes bevatten eenvoudige en geavanceerde opties. Studenten bepalen zelf of zij zich willen inschrijven voor een bepaalde module. Binnen opleidingscommunities vindt interactie plaats via een vorm van micro-bloggen. Berichten (posts of vragen) kunnen ‘ge-liked’ worden, becommentarieerd, gedeeld en ‘opgevolgd’ (‘hier moet ik nog wat mee’). Flinterman was aanvankelijk bang dat studenten van bijvoorbeeld verpleegkunde opleidingen niet met deze omgeving over weg zouden kunnen. WISE blijkt echter goed aan te sluiten bij het sociale karakter van deze opleidingen.

Samenwerken vindt eveneens plaats in communities die gebruikers ook zelf kunnen starten en waarvoor internen en externen kunnen worden uitgenodigd. Deze communities kunnen openbaar zijn of privé.

De wijze waarop deze hogeschool WISE gebruikt heeft overlap met de manier waarop ‘mijn’ Open Universiteit OpenU inzet. Al zie ik ook duidelijke verschillen (met OpenU richten we ons o.a. op andere doelgroepen).

Positieve ervaringen

De ervaringen zijn tot dusver positief. Er worden bijvoorbeeld geen scheldwoorden gebruikt als bijvoorbeeld iets misgaat. Wel blijkt, dankzij het ene loket, dat WISE ook de schuld geeft als roosterprogramma Untis uit de lucht is. Ook blijken aanpassingen in de omgeving eenvoudig doorgevoerd te kunnen worden omdat gebruik wordt gemaakt van standaard technologie.

Nota bene: Sharepoint 2010, Newsgator 2.0 en Sharepoint LMS 2010 vormen de basis van WISE. De hogeschool heeft uitsluitend aanvullende code geprogrammeerd.

okt 312011
 

Chris Ratcliffe signaleert dat lang niet alle scholen voor basisonderwijs, waarmee hij te maken heeft gebruik maken van een elektronische leeromgeving (ELO). Er zijn zelfs scholen die weer afscheid nemen van hun ELO: de applicaties kost te veel en worden onvoldoende gebruikt. Larry Cuban's boek "Oversold and Underused. Computers in the classroom" is schijnbaar nog steeds actueel. Ratcliffe vermeldt zelfs de volgende anekdote: 

One Head, and I won’t say at which school, gleefully told me that she and the Deputy Head had cancelled all of the online subscriptions the school had (Espresso, Education City etc.), plus the VLE and not told any of the teachers…they had a bet to see how long it would be until the teachers noticed the services had gone – and by the middle of October, no teacher had noticed a thing. 

Chris Ratcliffe wijt dit aan een gebrekkige implementatiestrategie van het management. "Je kunt een paard naar de drinkbak brengen, maar je kunt het dier niet dwingen te drinken", stelt hij. Hij beschrijft zelfs een anecdote van een school waar men een ELO had aangeschaft, maar niemand had geïnformeerd over het bestaan ervan: 

This is a very large school, who for five years had been telling anyone who would listen they were running a deficit budget, but had spent five years spending money on a service no-one knew they had and consequently never used. 

Investeringen in technologie zijn zonde van tijd en geld, stelt Ratcliffe, als je mensen niet professionaliseert in het gebruik ervan en als je niet over de technische expertise beschikt om de technologie te beheren. 

Ik vermoed dat er ook in ons land nog steeds scholen zijn die investeren in technologie, zonder na te denken voor welk doel en op welke manier ICT gebruikt moet worden. De aanschaf van ICT is de meest gemakkelijke weg om bijvoorbeeld enthousiaste voorlopers tevreden te stellen.

Het is m.i. echter maar een kleine groep onderwijsprofessionals die haar (leer- en doceer)gedrag gaat aanpassen als gevolg van de beschikbaarheid van nieuwe technologie op zich. De meeste mensen hebben ondersteuning in gebruik nodig (bijvoorbeeld in de vorm van een cursus, advies en/of begeleiding). En vooral ook een management dat richting geeft, faciliteert en prioriteiten stelt wat betreft het gebruik van nieuwe technologie. Het is eigenlijk een gotspe dat menig leidinggevende ermee weg komt dat tijd, energie en geld wordt verspild binnen zijn of haar school.

Natuurlijk: fouten maken mag. Maar niet steeds dezelfde fouten. Het lerend vermogen van het onderwijs op het gebied van technology enhanced learning is na al die jaren nog steeds onvoldoende ontwikkeld. 

Ik heb ook wel eens onvoldoende doordacht technologie aangeschaft, waarna ik er niet of nauwelijks gebruik van heb gemaakt. Maar daarbij gaat het niet om grote bedragen, en bovendien niet om belastinggeld. Ook probeer ik te voorkomen dat ik me twee keer aan dezelfde ICT-steen stoot.

okt 192011
 

Een paar dagen geleden heb ik stil gestaan bij een nieuw gratis leermanagement systeem voor het onderwijs van Pearson, OpenClass. Vandaag las ik enkele artikelen die de potentiële impact van dit initiatief ook benadrukken.

Phil Hill schrijft bijvoorbeeld

What I think is important to watch, however, is not whether OpenClass ends up being a free version of today’s LMS, but instead whether OpenClass can change the rules of the LMS game and move the market to a new model of learning platform.

OpenClass zou open zijn omdat digitale content van tal van uitgeverijen ermee ontsloten kunnen worden, evenals Open Educational Resources. Dankzij de integratie van Google Apps zou OpenClass 'sociaal' zijn (dat wil zeggen: samenwerkend leren faciliteren, ook tussen cursussen en zelfs instituten). Tenslotte is OpenClass ook gratis. Niet alleen wat betreft de licentiekosten maar ook wat betreft de kosten van onderhoud en hosting (aldus Steve Kolowich in Inside HigherEd).

Dit laatste maakt OpenClass onderscheidend ten opzichte van andere open source leeromgevingen. Het ontbreken van dubbele kosten tijdens de transitiefase (als je overstapt van de ene elektronische leeromgeving naar de andere) verlaagt volgens Hill de drempel om te switchen aanzienlijk (de kosten van adoptie en implementatie, zoals professionalisering, blijven).

Kolowich gaat onder meer ook in op het business model. Pearson verwacht vooral te verdienen aan elektronische tekstboeken, e-tutoring software en online courseware. Een elektronische leeromgeving beschouwt men als een 'commodity'.

Daarmee zet men zich ook af tegen leveranciers als Blackboard die zich nog steeds richten op verdienen aan licenties. Typerend is ook de reactie van BlackBoard in Kolowich' artikel op de lancering van OpenClass. Zij vergelijken dit initiatief van Pearson met eigen initiatieven rond gratis leeromgevingen en content, die echter heel verschillend van aard zijn.

Opvallend is ook dat Pearson zich vooral richt op de autonome docent, die zelf beslist over welke ICT-applicaties hij of zij gebruik zal maken. Het artikel besteedt geen aandacht wat de impact hiervan is op de integratie met systemen als een identity management systeem.

Volgens Steve Kolowich is het overigens de vraag of andere contentontwikkelaars hun online leerstof zonder slag of stoot in een gehoste en door Pearson beheerde elektronische leeromgeving willen plaatsen. Hij citeert CIO Lev Gonick die stelt:

Pearson has pledged content neutrality, insisting that it has no interest in locking other publishers out of OpenClass. But that does not mean other publishers will not lock themselves out, says Gonick.

Integrating sophisticated digital content into a cloud-based LMS involves a lot of coordination between the platform provider and content provider, says Gonick. So Pearson might have to court its fellow publishers before it can guarantee to professors that OpenClass will support the content they want, he says. “I don’t think that’s a slam dunk,” says Gonick.

okt 172011
 

Deze week is bekend geworden dat één van de grootste educatieve uitgevers ter wereld, Pearson, samen met Google een 'gratis' elektronische leeromgeving aan gaat bieden, die via cloud computing gebruikt kan worden: OpenClass. In artikelen zoals Quick Thoughts on Pearson's New Free OpenClass LMS ligt dan al snel het accent op de functionaliteiten van deze elektronische leeromgeving. Ik vind andere vraagstukken interessanter:

  • Pearson is al eigenaar van eCollege en Fronter. Welke gevolgen heeft OpenClass voor deze elektronische leeromgevingen? Ik heb een poos geleden al eens een nieuwe naam gelezen voor Fronter en eCollege samen. Die naam luidde niet OpenClass.
  • Een gratis elektronische leeromgeving bestaat niet. Zal Pearson toestaan dat je deze ELO gebruikt zonder hun digitale content?
  • Wat is de positie van Google in het business model van OpenClass? Ik snap de integratie van Google Apps. Maar wat heeft Google er verder bij te winnen?
  • Zal OpenClass wel er in slagen een bres te slaan binnen de in Nederland gesloten markt van elektronische leeromgevingen (gesloten wat het hoger onderwijs betreft).
sep 062011
 

De titel A Guide to K-12 Open Source LMS Options dekt de lading maar ten dele. Ik had althans een uitvoerige handleiding verwacht over het gebruik en de invoering van open source elektronische leeromgevingen (ELO). Het artikel uit THE Journal bevat daarentegen vooral een beschrijving van een aantal cases waarin Moodle, Sakai en de onbekendere ELO's Canvas, OLAT, ATutor en Google's CloudCourse zijn geselecteerd en worden gebruikt.

Enkele geleerde lessen zijn:

  • Reductie van licentiekosten lijkt nog steeds het belangrijkste argument te zijn om over te stappen op een open source ELO (terwijl licentiekosten maar een beperkt deel van de kosten zijn).
  • Ontwikkel een basis course package en test de functionaliteiten van een aantal ELO's met deze cursus.
  • Gebruik een Total Cost of Ownership (TCO) werkblad om inzicht te geven in de uitgaven en besparingen.
  • Sakai blijkt binnen één casus hoog te scoren op gebruikersvriendelijkheid en robuustheid.
  • De keuze van het vervolgonderwijs voor een bepaalde ELO speelt bij sommige toeleverende scholen een belangrijke rol.
  • Functionele eisen die binnen het hoger onderwijs een belangrijke rol spelen, zijn in het voortgezet onderwijs veel minder relevant (zoals personalisering ogenschijnlijk is).
  • ATutor scoort vooral goed bij visueel gehandicapten.
  • Met Google CloudCourse begeeft de bekende ICT-multinational zich ook voorzichtig op het gebied van de ELO, hoewel deze oplossing zich functioneel nog niet kan meten met producten als Moodle of Sakai.
  • Canvas is een relatief nieuwe en veelbelovende speler op het ELO-veld.

Opvallend dat er nog steeds nieuwe elektronische leeromgevingen op de markt verschijnen. De markt is schijnbaar nog niet verzadigd.

aug 302011
 

In Social media in het onderwijs: verbinding maken met de leerling én de docent reflecteert Paul Bloemen op de vraag waarom docenten nog relatief weinig sociale media in het onderwijs gebruiken.

Paul stelt o.a. dat het gebruik hiervan moet concurreren met (andere) prioriteiten, dat 'sociale media' een complex koepelbegrip is, dat het doel ervan vaak niet concreet is en dat een uitwerking van een visie op onderwijs in relatie tot sociale media veelal ontbreekt. Bij een ELO zou het duidelijk zijn om welk systeem het gaat, en wat er in hoofdlijnen mee kan. Ook zou de verbinding met de dagelijkse praktijk van docenten onvoldoende worden gemaakt.

Ik ben het grotendeels met Paul eens. Volgens mij zijn er echter meer redenen te noemen.

  • De wijze waarop sociale media leren kunnen ondersteunen, past vaak moeizaam bij de dagelijkse onderwijspraktijk. Bij sociale media is de gebruiker, de lerende, 'in control', is geen sprake van hiërarchie, vindt co-creatie plaats en is sprake van openheid. Deze eigenschappen verhouden zich moeizaam tot de praktijk binnen de meeste scholen. Elektronische leeromgevingen matchen hier vaak beter bij (ook al omdat ELO's zich doorontwikkelen en functionaliteiten voor actief leren bevatten).
  • Veel docenten hebben nog steeds een onvoldoende beeld van de toegevoegde waarde van technologie voor onderwijs en leren. Dat geldt ook voor elektronische leeromgevingen. Wat betreft professionalisering is er nog het nodige te doen.
  • De adoptie van elektronische leeromgevingen belemmert de acceptatie van sociale media. Scholen investeren veel in de implementatie van ELO's. De aandacht en middelen die hier naar toe gaan, kunnen niet besteed worden aan de inbedding van sociale media. ICT-afdelingen zijn gedwongen zich te focussen, en ook docenten kunnen hun aandacht niet over tal van ICT-applicaties verdelen. Managers willen eerst hun investering in de ELO terug zien.