Vandaag heb ik twee blogposts gelezen die in combinatie leiden tot het inzicht dat technologie onzichtbaarder wordt, en daardoor ‘onzichtbaar leren’ mogelijk kan maken.
Van standaarden en specificaties op het gebied van leertechnologie raak je over het algemeen niet echt opgewonden. Toch is er nu sprake van een nieuwe ontwikkeling die de menig criticaster van deze standaarden en specificaties op het puntje van de stoel laat zitten.
Informeel leren is belangrijk voor de inzetbaarheid van medewerkers. Helaas zijn werknemers met een vmbo- en mbo-vooropleiding onvoldoende toegerust om informeel te leren, bijvoorbeeld via netwerken. Dat werkt niet bevorderend voor hun inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Aldus één van de conclusies uit het onderzoek ‘Informeel leren in Nederland’ van drie collega’s van de Open Universiteit.
Hoe kan internet informeel leren binnen afstandsleren ondersteunen (#in #eadl11)
Birger Tralau is tijdens het EADL-congres in een illustratieve en praktische presentatie op deze vraag ingegaan. Tralau werkt bij de grootste organisatie voor afstandsleren in Duitsland, met ongeveer 55 duizend studenten die gebruik maken van een online campus (ILS).
Deze online campus bevat volgens de spreker ook verschillende social netwerkfunctionaliteiten. Studenten zoeken vaak contact met collega-studenten, die hetzelfde studeren. Vervolgens kunnen ze een lijst met contacten aanleggen. Bij de profielfunctie kunnen studenten ook de belangstelling invullen. Je kunt zelfs aangeven welke boeken je op dat moment bestudeert.
Je krijgt vervolgens op basis van ingevulde gegevens te zien wie gelijke interesses heeft, of in hetzelfde postcodegebied woont. Bij contacten heb je ook de mogelijkheden om jouw contacten aan anderen te laten zien.
Dankzij deze omgeving zoeken studenten elkaar op, bijvoorbeeld om samen naar een seminar te reizen. Uiteraard kun je via deze campus ook vragen stellen aan collegastudenten, en daarbij ook de relevantie van de vraag aangeven.
Deze functionaliteiten lijken sterk op wat in Facebook kan. Bij de Open Universiteit zijn we met vergelijkbare zaken bezig. Daar zal ik in een later stadium op terug komen.
Ik ben het vaak met Bruce Hammonds eens. Maar ik aarzel als hij instemmend het Dreyfus Model of Skill Aquisition aanhaalt. Dit model gaat er vanuit dat je lerenden, die een bepaalde vaardigheid niet of nauwelijks beheersen, strak bij de hand moet nemen en hen moet voorschrijven wat en hoe zij moeten leren. Naar verloop van tijd kun je lerenden dan meer vrijheid geven. Is men competent, dan is de invloed van de lerende op wat en hoe zij leren groter dan de invloed van de onderwijsinstelling.
Ik vraag me hierbij af of dit wel in alle gevallen geldt. Bepaalde leerdoelen kun je bereiken door te experimenteren, en door te leren van vallen en opstaan. Afgaande op wat Bruce Hammonds over het model schrijft, vraag ik me af of dit model hier voldoende rekening mee houdt. Bovendien kom ik ook nog wel eens opvattingen tegen die impliceren dat lerenden pas aan het einde van hun opleiding voldoende competent zijn, en meer zelfstandigheid voor het eigen leren aan kunnen. Aan pedagogisch-didactisch 'loslaten' komt men niet toe.
Hammonds trekt in zijn blogpost een parallel met het principe van scaffolding (van Jerome Bruner). Docenten zouden zich volgens hem op een gegeven moment terug moeten trekken, en meer ruimte moeten geven aan de lerende. De 'steiger' wordt dan afgebouwd.
Bruce Hammonds stelt wel weer terecht dat te veel hulp 'dodelijk' kan werken.
Net als in de gezondheidszorg zou ook het onderwijs er m.i. voor moeten waken dat lerenden afhankelijk worden van instituten. Je zou kunnen stellen dat 'didactische hospitalisering' voorkomen moet worden.
Dat betekent m.i. dat het onderwijs lerenden moet bekwamen in informeel en non-formeel leren. Bruce Hammonds stelt in dit verband dat lerenden binnen het onderwijs de ruimte moeten krijgen om creatief te kunnen zijn. Docenten zouden lerenden moeten stimuleren vaardigheden en attitudes te ontwikkelen
to become 'seekers, users and creators of their own knowledge'.
The artistry of the teacher is to judge when to assist and when to trust the learner to strike out on their own.
This liberation of the learner is the real challenge of a creative teacher.
Dat vind ik wel weer mooi gezegd.
Marjolein Caniëls en Paul Kirschner van de Open Universiteit geven in deze presentatie een inkijk in de stand van zaken met betrekking tot informeel leren in Nederland. Zij definiëren informeel leren als leren van dagelijkse activiteiten (werk, gezin, vrije tijd), niet gestructureerd (in termen van leerdoelen, leertijd en/of ondersteuning), en niet gecertificeerd.
De onderzoeksvragen zijn:
- What is the state of affairs of informal learning in the
Netherlands? More specifically, what are the current forms,
contents and outcomes of the array of informal learning
activities of Dutch adults?- How have the outcomes of informal learning been used in the
learner’s paid and/or unpaid work, and were the outcomes
valorised?- What factors hamper informal learning as perceived by Dutch
adults? What barriers do they feel keep them from engaging in
informal learning?
Door middel van een online vragenlijst met een respons van 520 personen, proberen de auteurs deze vragen te beantwoorden. Enkele opvallende resultaten zijn:
- Hoe jonger mensen zijn, des te vaker doet men aan informeel leren. Er is ook een positief verband tussen de hoogte van het opleidingsniveau en de mate waarin respondenten aangeven informeel te leren.
- Er is geen verband tussen de hoeveelheid tijd dat men werkt, en de mate waarin men informeel leert.
- Meer dan 80% van de respondenten vindt dat zij hun werk beter uitvoeren dankzij informeel leren. Bijna 57% vindt dat men dankzij deze manier van leren nieuwe taken op hun werk beter uitvoeren.
- Het aantal respondenten dat antwoord geeft op de vraag naar belemmeringen voor informeel leren, is vrij gering (180). De belemmering die met kop en schouders boven de rest uitsteekt, is een gebrek aan tijd.
Volgens mij is het voor het eerst dat op deze manier onderzoek is gedaan naar informeel leren. Het meest opvallende vind ik dat de hoeveelheid werk niet van invloed is op de mate van informeel leren. Werk leidt schijnbaar niet automatisch tot de behoefte om informeel te leren. Er zou wat mij betreft meer onderzoek gedaan mogen worden naar de relatie tussen het type werk, en informeel leren.
Opvallend is m.i. ook dat minder respondenten informeel leren toepassen om nieuwe taken uit te voeren, dan om hun bestaand werk te doen. Grijpt men bij nieuw taken liever terug op formeel leren?
Paula Ketter beschrijft een aantal trends op het gebied van werkplek leren.
In de eerste plaats neemt de belangstelling voor leiderschap af. Dat heeft te maken met diverse crises zoals de milieuramp in de Golf van Mexico of de bankencrisis. Volgens Ketter is sprake van een groot wantrouwen ten opzichte van leiders. Dit wantrouwen leidt tot andere eisen die gesteld worden aan leiderschapontwikkeling en bekwaamheden van leiders. Transparantie, eerlijkheid en ethisch handelen zijn bijvoorbeeld eigenschappen die vandaag de dag van groot belang worden gevonden voor leiders. Managementontwikkelingsprogramma's besteden daar tot dusver weinig aandacht aan. Daarbij is het de vraag of je zaken als integriteit kunt trainen. Ketter ziet hier daarom een belangrijke rol weggelegd voor meer informele manieren van leren, en leren met behulp van sociale media. Vooral ook omdat steeds meer jonge werknemers gewend zijn met deze applicaties te werken en te leren.
Belangrijker dan technologie is m.i. overigens de dialoog tussen leiders in spe onderling, en met de samenleving als het gaat om maatschappelijke verantwoordelijkheid en beroepsethische vraagstukken.
Op de tweede plaats is performance improvement vandaag de dag een belangrijk thema voor werkplek leren. Daarbij past het volgens Ketter niet om te proberen te controleren hoe werknemers denken:
“Instead, it involves capitalizing on a worker’s self-motivation, natural engagement, and resilience to perform well by control of her contentment derived from fulfilling her own purposes for working.”
Volgens Ketter is het vooral belangrijk dat middenmanagers een cultuur creëren waarin innovatieve ideeën kunnen bloeien en werknemers zelf meer controle kunnen uitoefenen over hun werk. Zij geeft hiervoor overigens helaas geen handvatten.
Een derde ontwikkeling is het toenemend gebruik van mobiele apparaten, zoals de smartphone. Hierdoor zijn de mogelijkheden voor performance support verbeterd, en hebben medewerkers altijd en overal toegang tot de meest actuele 'just-in-time' informatie om bepaalde taken uit te kunnen voeren. Bovendien zijn deze tools ook dé gereedschappen van de nieuwe generatie medewerkers.
GPS technologie stelt medewerkers bovendien beter in staat over informatie en kennisbronnen (zoals experts) te beschikken die zij op dat moment, en die plaats, nodig hebben. Technologie maakt dus niet alleen 'just-in-time'-leren mogelijk, maar ook 'just-in-place'-leren: medewerkers kunnen altijd en overal over locatiegebaseerde informatie beschikken en altijd hun netwerk raadplegen voor hulp en advies.
Ketter concludeert tenslotte:
Learning is trending toward the user and the moment of need. Workplace learning and performance professionals need to redefine the role that mobile learning will play in their learning initiatives because if they don’t, they risk being left behind in this new workplace paradigm.
Ketter presenteert een bruikbaar overzicht van ontwikkelingen op het gebied van werkplek leren. Met name de aandacht die zij schenkt aan de rol van social learning voor leiderschapsontwikkeling is vernieuwend te noemen.
(nog steeds geschreven tijdens het waken bij mijn schoonvader)
Internet vaker gebruikt voor informeel leren dan voor opleiden (#in)
Eergisteren heb ik al kort aandacht besteed aan een recent onderzoek naar het internetgebruik in Nederland. In deze blogpost wil ik er uitgebreider stil bij staan. Het rapport bevat namelijk veel nuttige informatie, ook voor leren en opleiden.
Het Trendrapport Computer- en Internetgebruik 2010 geeft goed inzicht in de stand van zaken van het internetgebruik in Nederland. Het onderzoek is gebaseerd op een aantal onderzoeksmethoden, die bij in totaal 1247 respondenten zijn toegepast. Een opvallende conclusie, waar ik al eerder over blogde, is dat laagopgeleiden internet intensiever gebruiken dan hoogopgeleiden. Het rapport bevat echter nog andere wetenswaardige bevindingen:
- Het percentage huishoudens met internettoegang is tussen 2005 en 2010 gestegen van 78% naar 90%. Het percentage personen met internettoegang is in diezelfde periode toegenomen van 83% tot 93%. Binnen Europa ligt Nederlands samen met IJsland aan kop, als het gaat om internettoegang.
- De motivatie om computers en internet te gebruiken is in Nederland, vooral ook in vergelijking met andere landen, zeer hoog. Ongeveer 9% van de volwassenen (met name ouderen en lager opgeleiden) is vooral uit desinteresse onvoldoende gemotiveerd om toegang tot het internet te krijgen. Slechts 15,3% van de niet‐gebruikers overweegt in de toekomst online te gaan.
Op basis van deze twee bevindingen kun je dus gerust stellen dat intetnettoegang definitief geen belemmering meer is voor (t)e-learning.
- De belangrijkste toepassing van het internet is nog steeds het vergaren van informatie. Interactie en vermaak komen op de tweede en derde plaats, maar zijn wel in opkomst (o.a. dankzij de opkomst van sociale netwerksites).
- E-mail is verreweg de meest populaire internettoepassing. Overigens mailen jongeren tussen de 16 en 35 jaar minder vaak dan de groep tussen 35 en 55 jaar. Het toenemend gebruik van sociale netwerksites is daar debet aan.
- Jongeren tussen de 16 en 35 jaar gebruiken op grote schaal sociale netwerksites. Toch gebruikt 21% van de internettende jongeren deze toepassingen niet of nauwelijks. Van deze leeftijdsgroep doet 45% niet of nauwelijks aan online gamen.
- Onderzoek van de Universiteit Twente laat zien dat Nederlanders redelijk scoren op operationele en formele internetvaardigheden. Hun prestaties op het gebied van informatie en strategische vaardigheden zijn beduidend slechter. Ervaring met internet is niet voldoende voor inhoudelijke vaardigheden. Dat zullen zij dus expliciet moeten leren.
Ik verwacht dat een verbetering van de informatie en strategische vaardigheden de motivatie om internet voor (formeel en informeel) leren te gebruiken, positief zal beïnvloeden.
- Het internet wordt vanuit de perceptie van de ondervraagden weinig gebruikt voor leerdoeleinden. Dat geldt zowel voor online -formeel- leren (18% van alle internetgebruikers), als voor zelfgeorganiseerd, informeel leren (37% van alle internetgebruikers). Hogeropgeleiden gebruiken internet vaker voor leerdoeleinden, dan laagopgeleiden. Middelbaar opgeleide internetters volgen relatief het vaakst online cursussen (23% heeft dat wel eens gedaan).
Nederlanders gebruiken het internet dus veel vaker voor informeel leren dan voor formeel leren. Informatie zoeken wordt schijnbaar niet tot 'leren' gerekend. Uiteraard zegt het gebruik niets over de behoefte. Wellicht is een gebrek aan passend aanbod van invloed op het geringe gebruik van online leren.
Helaas is het niet mogelijk een vergelijking te maken met eerdere trendrapporten. Daarin werden de soorten gebruik namelijk niet in kaart gebracht.
- Participatie in politiek of overheidsbeleid is nauwelijks nog gemeengoed, concludeert het rapport.
- Nederlanders gebruiken het internet intensief en al lang. Gemiddeld 6,1 dagen per week, 3,1 uur per dag, op de dagen dat het internet wordt gebruikt. De gemiddelde Nederlander heeft 11,2 jaar ervaring met het gebruik van het internet. Hoe meer vrije tijd men heeft, des te intensiever men internet gebruikt. Lager opgeleiden gebruiken het internet gemiddeld op een dag langer dan de hoger opgeleiden: 3,1 tegen 2,6 uur. De gehanteerde onderzoeksmethode leidt er waarschijnlijk toe dat deze uitkomsten relatief hoog zijn.
- De onderzoekers hebben aan de hand van acht stellingen ook gekeken naar de effecten van het gebruik van internet. Zij concluderen onder andere:
Helaas hebben zij niet gekeken naar 'leereffecten'.Uit de stellingen blijkt dat een aanzienlijk deel van de Nederlandse internetgebruikers positieve effecten van het internet heeft ondervonden. Dit geldt vooral bij het kopen en verkopen van producten. Ook het vinden van politieke partijen en medische kwalen waaraan iemand leed scoren hoog. Voor de meeste effecten geldt dat vooral de lager opgeleiden en 55‐plussers minder hoog scoren. Verschillen tussen mannen en vrouwen zijn klein.
- Volgens het onderzoek lijken Nederlanders zich niet bijzonder veel zorgen te maken om problemen die zich voordoen bij het internetgebruik. In de VS is de veiligheid van kinderen bijvoorbeeld een hot issue. In Nederland speelt dit relatief weinig (al maken mensen tussen de 35 en 55 jaar – waartoe vooral oudes en verzorgers behoren- zich naar verhouding de meeste zorgen. De naar verhouding grootste zorgen gaan uit naar de computer (virussen etc) of geld (fraude). De onderzoekers stellen:
Bijna 94% van de ondervraagden neemt maatregelen om zich te beschermen tegen risico's. Daarbij gaat het voornamelijk om beveiligingsoftware. Internetgebruikers nemen zelf aanzienlijk minder vaak stappen om zich op internet te beschermen (zoals het regelmatig veranderen van wachtwoorden). Eén van de conclusies luidt:Lager opgeleiden en ouderen maken zich nog de meeste zorgen, met uitzondering van privacy en financiële fraude die door de hoger opgeleiden belangrijker gevonden worden. (…) In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt maken 16 tot 35 jarigen zich niet minder zorgen om hun privacy dan oudere generaties.
Bij alle maatregelen zijn 16‐35 jarigen en en 55‐plussers het meest onvoorzichtig op het internet. Hetzelfde geldt voor de lager opgeleiden. Waarschijnlijk komt dit door een algeheel gebrek aan vaardigheden als het gaat om ouderen en lager opgeleiden en een zekere naïviteit en gebrek aan strategische vaardigheden als het gaat om jongeren.
Organisatie onderwijs belemmerend voor een leven lang leren (#in)
Mijn collega Toon Berkers attendeerde mij op onderstaande videoboodschap van Frans Leijnse. Leijnse gaat in op de rol van hogescholen bij een leven lang leren. Ik denk dat deze video ook relevant is voor het middelbaar beroepsonderwijs en de universiteiten.
Volgens Leijnse staat de organisatievorm van het hoger beroepsonderwijs de effectieve en efficiënte vormgeving van een leven lang leren in de weg. Hogescholen (maar volgens mij ook andere onderwijsorganisaties) denken volgens hem nog te zeer in termen van het ontwikkelen van een aanbod aan cursussen en opleidingen. Uiteraard oriënteert men zich daarbij op marktontwikkelingen, maar het blijft sterk aanbodgericht. Vanuit nauwe contacten met het bedrijfsleven, en gebruik makend van de expertise van kenniskringen, zou dit volgens hem anders moeten.
Opvallend daarbij is dat Leijnse als het gaat om leeractiviteiten, toch weer voornamelijk bij de cursus en opleiding uitkomt. Al noemt hij zijdelings ook leren in communities. Zelf denk ik dat het juist de uitdaging is voor onderwijsorganisaties, om te kijken hoe zij meer informele vormen van leren kunnen faciliteren.
Frans Leijnse pleit in zijn bijdrage ook voor samenwerkingsverbanden tussen instellingen, zoals hogescholen en de Open Universiteit. Samenwerking is volgens hem cruciaal voor succes op dit gebied. Tenslotte geeft Frans Leijnse aan dat we over de grenzen heen moeten kijken om een leven lang leren meer vraaggericht te maken.