Er is inmiddels het nodige onderzoek gedaan naar het fenomeen van de ‘digital native‘. Op basis hiervan kun je concluderen dat de belangrijkste beweringen ten aanzien van dit fenomeen niet hard kunnen worden gemaakt. Toch blijven veel publicisten hier aan vast houden.
Trap niet in de val van ‘mythe 2.0′!
De geschiedenis herhaalt zich. Eind jaren negentig kwam de term ‘net generatie’ op. Jongeren die opgroeiden met internet zouden bepaalde eigenschappen bezitten, waarover generaties voor hen niet beschikten. Onderzoek liet zien dat sprake was van een simplificering. Nu zou mobiele technologie een nieuwe generatie voortbrengen.
Slimme reclamejongens willen ons doen geloven dat er weer een nieuwe generatie jongeren aan komt. Dit keer de altijd met elkaar verbonden zijnde Generatie C. Laten we ons hierdoor nu eens niet afleiden, maar ons focussen op echte redenen om te innoveren.
Ja, hoor. Daar gaan we weer. Debbie Morrisson ziet weer een nieuwe generatie het onderwijs instromen. Een generatie die in hoge mate met elkaar verbonden is, en online is zolang men wakker is. De Generatie ‘C’ heet deze generatie dit keer. De ‘C’ staat uiteraard voor ‘connected’. Andere sleutelwoorden zijn: communicating, content-centric, computerized, community-oriented, always clicking.
Zij zijn geboren na 1990, en zijn woonachtig over de hele wereld (in Brazilië, Rusland, India en China vooral in stedelijke gebieden). In 2020 vormen zij 40% van de wereldbevolking.
Volgens Morrisson zal het onderwijs in moeten spelen op het feit dat deze groep altijd verbonden en altijd online is. Zij illustreert aan de hand van foto’s dat onderwijsinstellingen hier nog niet klaar voor zijn. Ook benadrukt zij dat we vooral pedagogiek en didactiek zullen moeten veranderen:
Change goes beyond offering online classes, educational apps, or mobile learning options – a fundamental shift in how we think about education is necessary, a new vision is needed.
Natuurlijk zijn onderwijsinnovaties noodzakelijk. Maar laten we wel wezen: het zijn vooral de reclamejongens (en meisjes) die dergelijke concepten lanceren. Het verkoopt, terwijl de werkelijkheid veel genuanceerder is. Een deel van de generatie, geboren na 1990, is helemaal niet zo ‘connected’, terwijl veel ‘oudjes’ (geboren voor 1970) dat wel zijn.
Ik heb hier moeite mee omdat dergelijk geblabla de aandacht afleidt van datgene waar het werkelijk om draait:
- Diverse social, culturele, economische en technologische factoren leiden ertoe dat jongeren en volwassenen andere bekwaamheden moeten ontwikkelen, dan ongeveer 20 jaar geleden. Er zal dus gewerkt moeten worden aan andere leerdoelen.
- De laatste jaren hebben we nieuwe inzichten ontwikkeld met betrekking tot didactiek. Vooral doordat je met traditionele manieren van leren onvoldoende goed kunt werken aan de ontwikkeling van nieuwe leerdoelen.
- Nieuwe technologie maakt andere manieren van leren mogelijk. We hebben nieuwe technologie altijd en overal tot onze beschikking. Hetgeen niet betekent dat we nieuwe technologie altijd moeten gebruiken. Maar we kunnen nu leeractiviteiten uitvoeren, die twee decennia geleden onmogelijk uit te voeren waren (denk alleen aan online video).
- Jongeren en volwassenen moeten vaak nog leren een balans te vinden tussen online en offline zijn. Altijd verbonden zijn, is niet altijd verstandig.
Het gebruik van interactieve media door jongeren (#in)
Toen de verhalen over de digital native enkele jaren geleden aan mij begonnen te knagen, bezocht ik tijdens de (toen nog SURF)Onderwijsdagen een workshop van Antoine van den Beemt. Van den Beemt was toen begonnen aan een promotieonderzoek over het gebruik van interactieve media door jongeren. Hij schetste een behoorlijk genuanceerd beeld van het gebruik van deze media door de zogenaamde 'net-generatie'.
Op 17 december aanstaande hoopt Antoine te promoveren op dit onderwerp. Verleden week ontving ik zijn dissertatie. De centrale vraag hiervan luidt:
Hoe gebruiken jongeren interactieve media in de hedendaagse Westerse samenleving?
Van den Beemt vertaalt zijn bevindingen ook naar gevolgen voor het onderwijs. Hij vindt dat onderwijsgevenden kennis moeten hebben van het dagelijks leven van jongeren, en het gebruik van interactieve media daarbinnen. Verder kijkt hij ook naar meningen en motieven van jongeren om interactieve media te gebruiken.
Antoine van den Beemt heeft diverse analysemethoden gehanteerd. Ook combineert hij drie disciplines: sociologie, (interactieve) mediastudies en onderwijskunde. Zijn dissertatie bestaat uit papers, die ook los te lezen zijn. Enkele algemene conclusies zijn:
- Er zijn meerdere groepen gebruikers te onderscheiden: traditionalisten (die interactieve media gebruiken om te consumeren, gamers (die er mee spelen), netwerkers (die uitwisselen) en producenten (die deze tools gebruiken om te creëren).
- Een andere deelstudie laat vier typen gebruik zien: interacteren (consumeren en informatie, bijvoorbeeld via email, uitwisselen), uitwisselen (diverse sociale netwerkactiviteiten), spelen en creëren.
- De groepen jongeren maken zeer verschillend gebruik van interactieve media. Van de Beemt waarschuwt docenten daarom voor onvoorzichtig gebruik van interactieve media als leermiddel.
- Naaste vrienden en familie spelen een belangrijke rol bij het ontstaan van belangstelling voor specifieke typen interactieve media. Daarna gaan jongeren er mee experimenteren.
- Een kleinschalige, kwalitatieve, studie laat zien dat de betrokken leerlingen het gebruik van interactieve media in het onderwijs altijd willen combineren met het uitvoeren van projecten en instructie door een onderwijsgevende.
- Er is geen sprake van een alomvattende waarheid op dit gebied, maar slechts van een richting voor het nadenken over het gebruik van interactieve media in het onderwijs. De dynamiek (technologische ontwikkelingen en veranderend gebruik) is zo groot dat de resultaten van onderzoek permanent aan verandering onderhevig zijn.
- De diversiteit in gebruik van interactieve sociale media onderstreept het belang van 'maatwerkopdrachten' of brede leercontexten (de erkenning dat leren ook buiten het onderwijs plaats vindt). Games werken bij voorbeeld positief voor de motivatie om eenvoudige opdrachten uit te voeren (gericht op performance). Meer complexe vraagstukken vereisen daarentegen een "matery orientation" die je via games maar moeizaam kunt bereiken.
Antoine van den Beemt's lezenswaardige proefschrift bevestigt wat we al langer weten, maar een hele tijd hebben ontkend: jongeren gebruiken op een zeer diverse manier interactieve media. Een dergelijke diversiteit vereist in feite zeer flexibel onderwijs.
Bovendien onderstreept hij dat hierbij in feite sprake is van een 'moving target', zodat we het ons niet kunnen veroorloven om voortdurend onderzoek te doen naar het gebruik van nieuwe technologie door jongeren, binnen en buiten het onderwijs. Onder andere, beveelt hij aan, naar de relatie tussen de diversiteit in gebruik en jeugdsubculturen.
Wat zijn dissertatie ook illustreert is dat het onderwijs vaak wat al te gemakkelijk en kritiekloos achter 'gepapagaai' aanloopt (met brain-based learning als volgende hype?).
Dankzij Jeroen Bottema heb ik de hand weten te leggen op het artikel The ‘digital natives’ debate: A critical review of the evidence', van Sue Bennett, Karl Maton en Lisa Kervin. Het artikel, dat in 2008 is verschenen in het British Journal of Educational Technology, is helaas niet vrij verkrijgbaar maar wel te koop voor de belachelijke prijs van 43 dollar.
De auteurs maken in deze bijdrage korte metten met de mythe van de 'digital native'. Zij pleiten voor een beter onderbouwde benadering, die gevrijwaard is van belangen.
Het debat over de 'net generatie' is volgens Bennett cs gebaseerd op twee beweringen:
- Er bestaat daadwerkelijk een aparte generatie van digital natives.
- Het onderwijs moet fundamenteel veranderen om tegemoet te komen aan de behoeftes van deze generatie.
In deze publicatie laten de auteurs zien dat beide beweringen rusten op aannames die empirisch en theoretisch zwak zijn onderbouwd. Zij concluderen over de eerste bewering (p. 778-779):
In summary, though limited in scope and focus, the research evidence to date indicates that a proportion of young people are highly adept with technology and rely on it for a range of information gathering and communication activities. However, there also appears to be a significant proportion of young people who do not have the levels of access or technology skills predicted by proponents of the digital native idea. Such generalisations about a whole generation of young people thereby focus attention on technically adept students. With this comes the danger that those less interested and less able will be neglected, and that the potential impact of socio-economic and cultural factors will be overlooked. It may be that there is as much variation within the digital native generation as between the generations.
Wat betreft de gewenste fundamentele verandering van het onderwijs concluderen zij, dat deze transformatie niet gebaseerd kan zijn op de veronderstelde behoeften van een niet-bestaande generatie. Zij stellen verder onder andere dat er geen duidelijk bewijs is dat je de interactiviteit van recreatieve games kunt toepassen op het onderwijs. Volgens hen is er onvoldoende bewijs hoe games kunnen bijdragen aan verdiepend leren. Bovendien zouden gameprincipes meer aansluiten bij jongens dan meisjes, en daardoor niet breed toegepast kunnen worden.
Sue Bennett, Karl Maton en Lisa Kervin proberen ook te verklaren waarom beweringen over de net-generatie zo vaak worden herhaald, ook al bestaat er geen bewijs voor. De verklaring zoeken zij in het fenomeen van 'morele paniek'.
In general, moral panics occur when a particular group in society, such as a youth subculture, is portrayed by the news media as embodying a threat to societal values and norms. (…) So, the term ‘moral panic’ refers to the form the public discourse takes rather rthan to an actual panic among the populous.
De auteurs maken gebruik van een groot aantal bronnen om de mythe van de digital natives door te prikken. Zij zetten wat mij betreft een dikke streep onder het 'net-generatie'-debat. Bennett cs concluderen terecht dat de relatie 'jongeren-technologie' veel complexer is dat de digital native characterisation suggereert.
Young people may do things differently, but there are no grounds to consider them aliens to us.
Tevens nuanceren zij de veronderstelde noodzaak om -als gevolg van de 'veranderde' jongere- het onderwijs te innoveren. Daarbij doen zij m.i. de 'geleerde lessen' van games voor het onderwijs tekort. Ook zijn er natuurlijk andere redenen om het onderwijs te veranderen, dan de veronderstelde veranderde doelgroep (denk aan andere eisen die de samenleving stelt, over voortschrijdend inzicht op het gebied van didactiek). De auteurs verwijzen zelf ook naar deze redenen. Tenslotte moeten we natuurlijk ook niet doen alsof het huidige onderwijs bepaalde doelgroepen niet uitsluit.
Aan de hand van een Zweeds onderzoek naar internetgebruik verkent promovenda Sheila Zimic enkele stereotypen over de 'net generatie'. En wat blijkt: ook Zimic komt tot genuanceerde bevindingen.
Praktisch alle 12-30 jarigen maken in Zweden gebruik van internet, net als andere leeftijdsgroepen (de meerderheid van de niet-gebruiker is ouder dan zestig jaar). Oudere jongeren maken vaker gebruik van internet, dan de groep 12-16 jarigen. De groep 21-25 jarigen gebruikt gemiddeld meer dan 23 uur per week internet. De groep 36-46 jarigen gebruikt internet intensiever dan de groep 12-16 jarigen.
Het onderzoek laat ook zien dat jongeren tussen de 12 en 16 jaar op school geen grootschalig gebruik maken van het internet (jongeren, ouder dan 16 jaar hebben daar meer gelegenheid voor):
school doesn’t seem to be the arena for 12-16 year olds to take up opportunities online.
Jongeren die thuis weinig gelegenheid hebben om online te gaan, kunnen dat op school niet compenseren.
Als het gaat om het gebruik van web 2.0, dan valt op dat social networking sites het meest worden gebruikt door 17-20 jarigen (67%), terwijl eenderde van de 31-35 sites als Facebook of MySpace gebruikt. Weblogs worden sowieso in geringe mate gebruikt (het meeste door de 17-20 jarigen).
Opvallend, tenslotte, is ook dat jongeren zich lang niet altijd even bekwaam achten als het gaat om het gebruik van ICT. Zimic concludeert:
Although the vast majority of ‘net geners’ are Internet users and think of themselves as fairly or very competent in using computers, it doesn’t mean that they all use the Internet in the same way and are equally competent. This was found to be the case for the youngest age group (12-16 year olds) in comparison with older cohorts.
Kortom: de stereotype beelden die aan de 'net generatie' worden toegedicht, kloppen ook niet in Zweden.
Onderzoeksrapport Jongeren en interactieve media
Toen ik vanochtend van Antoine van den Beemt de suggestie kreeg om eens te kijken naar de Kennisnet-rapportage Jongeren en interactieve media, was mijn eerste reactie: daar heb ik toch al eens over geblogd. Niet dus. En dat is niet terecht.
Deze rapportage heeft betrekking op op de vraag of de huidige generatie jongeren daadwerkelijk zo anders is dan andere generaties, als het gaat om mediagebruik. Antoine heeft hier onderzoek naar gedaan (met meer dan 2100 respondenten op 24 scholen), en concludeert in deze publicatie dat jongeren heel divers omgaan met nieuwe media en lang niet zo vergevorderd zij in het gebruik van nieuwe media als vaak wordt verondersteld.
Hij bevestigt hiermee in feite de vele twijfels die de laatste paar jaar expliciet zijn geuit in het 'netgeneratie-debat'.
In zijn onderzoek onderscheidt Van den Beemt viert typen gebruik van interactieve media (consumeren, spelen, uitwisselen en creëren), en vier typen gebruikers (traditionalisten, gamers, netwerkers en producenten). Onderstaande tabel laat de relatie hiertussen zien.
Het mooie van Antoine's onderzoek is dat hij ook heeft gekeken naar de verdeling van de gebruikersgroepen naar onderwijsniveau en geslacht. Jongens en meiden blijken even vaak gamer te zijn, jongens vaker traditionalist en meiden vaker netwerker. Opvallend is ook dat producenten vooral op het vmbo en hbo voorkomen (19% resp. 18%). Pagina 9 en 10 van deze publicatie bevatten de belangrijkste bevindingen.
Eerlijk gezegd vind ik de indeling in vier typen gebruikers nog erg grofmazig. Mengvormen zijn volgens mij ook mogelijk. De onderverdeling van activiteiten in vier typen gebruik is deels ook arbitrair. Waarom valt het gebruik van Skype en Google Earth bijvoorbeeld onder 'creëren' en msn-en onder 'consumeren'?
In hoofdstuk vier gaat Van de Beemt in op de mogelijke gevolgen voor het onderwijs. Hij geeft daarbij onder meer aan dat je voorzichtig moet zijn met de inzet van een wiki en contentproductie, omdat jongeren niet altijd voldoende kennis en interesse hebben in het gebruik van tools als een wiki.
Antoine stelt ook dat de vier vormen van mediagebruik duiden op corresponderende manieren van leren, en dat binnen het onderwijs meer rekening gehouden zou moeten worden met die diversiteit.
De belangrijkste conclusie uit zijn onderzoek is wat mij betreft dat je het gebruik van nieuwe technologie door jongeren niet als een gegeven mag beschouwen. De onterechte veronderstelling dat jongeren massaal actief gebruik zouden maken van nieuwe technologie was voor mij nooit reden om te pleiten voor de inzet ervan in het onderwijs. Het feit dat er grote verschillen zijn in de wijze waarop jongeren ICT gebruiken, is net zo min aanleiding om dat niet te doen. Diverse technologieën hebben krachtige eigenschappen, in relatie tot leerdoelen en didactiek. Daarom is het zonde hiervan geen gebruik te maken binnen leersituaties.