dec 062009
 

Twee dagen na Online Educa Berlin, editie 2009, is het tijd voor reflectie.

  • Ik heb weer erg genoten van dit internationale congres, waar uiteindelijk 2076 mensen aan deel hebben genomen. Ik heb weer veel gesproken met oude bekenden (die ik meestal alleen in Berlijn tegenkom), en heb ook mensen ontmoet die ik nog niet eerder kende (of alleen online). Ok, het is voor een groot deel 'preken voor eigen parochie' zoals iemand niet helemaal ten onrechte aangaf. Maar als je niet open staat op innovatie, technologie en een andere kijk op leren, dan zul je hier nooit de inspiratie vinden die ik er altijd op doe. Een (t)e-learning conferentie is volgens mij niet geschikt om overtuigd te worden. Wel om meer bewust te worden van de invloed van ICT op leren.
    Ik ben me er overigens van bewust dat het erg lastig is om een sfeer via blog posts te beschrijven.
  • De keynotes, die ik heb bijgewoond, fungeerden allen uiteindelijk als inspiratiebron (je moet geen concrete handvatten voor je eigen praktijk verwachten). Op de eerste dag hamerden alle drie de inleiders de boodschap er in dat onderwijs en opleiden moeten transformeren om beter aan te sluiten op de eisen die de hedendaagse samenleving stelt. We moeten intensiever gebruik maken van technologie om leren meer flexibel te maken, minder "one size fits all", en om een groter beroep te doen op de competenties die de huidige samenleving van burgers vraagt. Zij brachten deze op zich vaakgehoorde boodschap alle drie op een geheel eigen wijze over de bühne.

    De keynotes van de tweede dag gingen onder meer in op veranderingen in het onderwijs, innovatiestrategieën, de veranderende rol van uitgevers en het gebruik van technologie om leren van gehandicapten en chronisch zieken beter mogelijk te maken. Bij die laatste inleiding realiseerde ik me hoe weinig we in Nederland spreken over 'Digital Inclusion'.
  • Van groot belang vond ik de sessie over 'het brein' met de conclusie:


    Neuroscience gives no prescriptions for instructional design, only descriptions.


    Een verademing ten opzichte van de hype die momenteel in Nederland heerst rond de werking van de hersenen en de gevolgen voor voor didactiek. Let wel: het verzet hiertegen kwam niet van onderwijskundigen of leerpsychologen, maar van neurowetenschappers zelf.

  • Moeten we (t)e-learning via kleine stappen invoeren, of via een 'ontwrichtende innovatie'? Guus Wijngaards ziet duidelijk meer heil in kleine stappen. Gilly Salmon bepleitte in feite een twee sporenbeleid. Dat bevestigde zij via Twitter:


    I was trying to say that we need to do both incremental and radical innovation- this is Leicester's strategy


    Mensen als Robin Good en Graham Attwell lijken meer voor een radicale benadering te kiezen.

  • Ook dit jaar was er een tegenstelling tussen behoudende e-learning professionals en vernieuwers. Verleden jaar schreef ik hierover:


    Het ene uiterste heeft behoudende opvattingen over e-learning. E-learning is dan vooral cursus/training-gericht, waarbij het initiatief ligt bij de organisatie (e-learning 1.0). Het andere uiterste is innovatief van aard, waarbij er veel aandacht is voor het gebruik van social software binnen (overwegend) informele leersituaties. Het debat met betrekking tot opvattingen over onderwijs lijkt ook hier door heen te lopen.


    Dit jaar kwam deze 'paradigma-strijd' met name naar voren tijdens het Online Educa debat over het al dan niet schadelijke karakter van 'social computing'. De vernieuwers wonnen gelukkig nipt. De 'parochie' was sterk verdeelt, wat ik niet verwacht had. Het relatief beperkte gebruik van de back channel tijdens mijn sessie verklaar ik ook mede uit de behoudende achtergrond van veel congresgangers.

  • Tijdens het Schoolforum en de sessie waarin Duitse scholieren in gingen op hun gebruik van nieuwe media kreeg ik de indruk dat het Duitse voortgezet onderwijs allesbehalve vergevorderd is in het gebruik van ICT ten behoeve van leren. Het zou met name ontbreken aan een goede ICT-infrastructuur, aan bekwaamheden bij docenten en aan een positieve attitude van onderwijsgevenden en onderwijsmanagers ten aanzien van ICT in het onderwijs. Volgens iemand waar ik mee sprak (en die de Duitse sitiatie beter kent) is echter sprake van grote verschillen tussen de deelstaten, en zou Berlijn een duidelijk achtergestelde positie innemen.
  • Tijdens het Schoolforum viel me op dat de factoren die bijdragen aan een succesvolle invoering van 'sociale computing' in het onderwijs, ook in het algemeen gelden voor ICT in het onderwijs. Uit deze sessie heb ik ook een aantal 'evidence-based' bevindingen gehaald over het werken met interactieve whiteboards (voors- en tegens).
  • Tijdens de sessie waarin Duitse scholieren ingingen op hun gebruik van nieuwe media bleek dat deze jongeren een hoop technologie gebruiken, ook voor leren. Maar dan vooral voor zelfgeorganiseerd leren. Ook bleek dat deze jongeren ICT op een heel diverse manier gebruikten. Zij gebruikten veel technologie om te leren, maar benoemden dat lang niet altijd als leren.
  • De sessie over digitale identiteit maakte duidelijk hoe belangrijk het is dat we ons bewust zijn van de kansen en risico's van de vorming van een digitale identiteit. Het zijn niet alleen jongeren die zich hiervan bewust moeten zijn, maar ook volwassenen. Volwassenen dragen immers bij tot de digitale identiteit van kinderen.
  • De organisatie van de Online Educa lijkt definitief te hebben gekozen voor meer afwisselende werkvormen. Voorbeelden zijn:
    1. Langer durende sessies, waarin presentaties en discussies elkaar afwisselen.
    2. De pecha kucha, waarbij sprekers worden uitgedaagd in nog geen 7 minuten hun boodschap voor het voetlicht te brengen.
    3. Het Online Educa debat.
    4. De Battle of the bloggers (waar ik zelf niet naar toe ben gegaan), lunch sessies voor special interest groups, enzovoorts.

    Een prima zaak, al valt er volgens mij wel het e.e.a. te optimaliseren aan deze werkvormen, zoals ik al heb geschreven. Ook lijkt het er op dat niet alle deelnemers staan te wachten op meer interactie.

  • Er is gigantisch veel getwitterd tijdens dit congres. Je hebt op deze manier ook contact met mensen die de Online Educa ook bezoeken (op deze manier heb ik Jeroen Bottema 'geworven' als moderator), maar ook met anderen. Ik heb de afgelopen week heel veel reacties gekregen op mijn tweets. Wat me daarbij wel opviel, was dat een tweet mensen op het verkeerde spoor kunnen zetten (bijvoorbeeld omdat ze denken dat ik iets vind, terwijl ik twitter wat een spreker zegt). Zoals ik al eerder schreef: ik zal Twitter niet snel gebruiken als back channel die je wilt inbedden in een sessie. Daarvoor is Twitter te onstabiel (en verplicht je belangstellenden om te gaan twitteren). Maar als communicatiekanaal rond een congres heeft Twitter zeker zijn waarde bewezen.
  • Ik ben inmiddels in staat om te microbloggen over een congres en zo aantekeningen te maken die ik later sneller kan omzetten in een impressie. Verleden jaar schreef ik nog:


    Ik heb ook meer getwitterd en ervaren dat ik niet echt goed in staat ben bij goede sprekers via twitter 'aantekeningen' te maken (pen en papier werken dan beter).


    Oefening baart kunst, zo blijkt op dit terrein. Hier zijn de Twitter-statistieken van de afgelopen week:

TweetStats __ for wrubens

dec 062009
 

Dag twee van de Online Educa Berlin werd geopend met twee plenaire sessies. Ik heb de sessie bezocht die op het onderwijs was gericht. De sessievoorzitter wilde Twitter gebruiken als back channel. Maar de trage internetconnectie en de performance van Twitter wierpen roet in het eten.

Gilly Salmon, al 15 jaar trouw bezoeker van de Online Educa Berlin constateerde dat veranderingen binnen het onderwijs erg traag verlopen. Aan de hand van de "Tree of learning" (geïnspireerd op Darwin's Tree of Life schetste zij de historische ontwikkeling van het onderwijs (lees ook Petra Fisser's impressie).

CALF-Berlin (pagina 14 van 31)

Salmons concludeerde dat de "boom van het leren" in de loop van de tijd steeds diverser is geworden. Er is bijvoorbeeld meer ruimte gekomen voor informele vormen van leren, voor werkplekleren en persoonlijk leren. ICT speelt daarbij een belangrijke rol. Het universitaire onderwijs is volgens Salmon door de eeuwen heen amper veranderd. Universiteiten zijn pas vrij recent gaan kijken naar de gevolgen van ICT voor het ontwikkelen van leerprocessen. Zij citeerde Eric Hoffer die ooit stelde:


In times of change learners inherit the earth; while the learned find themselves beautifully equipped to deal with a world that no longer exists.


Vervolgens ging Salmon over naar Aaron Porter. Porter is bestuurslid van de Britse studentenbond. Zij hebben onderzoek gedaan naar het perspectief van de student, met betrekking tot het gebruik van ICT. Uit dit onderzoek blijkt dat 96% van de studenten het internet gebruikt als informatiebron voor de studie. De elektronische leeromgeving vormt ook voor 71% een essentiële informatiebron. De ELO wordt vooral gebruikt om lectures te downloaden, mededelingen te lezen en ander content te gebruiken. Het gebruik van sociale netwerken en mobiele telefoons voor leerdoeleinden blijft hier duidelijk bij achter (respectievelijk 40% en 27%). Verder valt op dat bijna de helft van de studenten van mening is dat technologie het onderwijs versterkt.

Er is dus sprake van een redelijk traditioneel gebruik van ICT door studenten. Dat heeft alles te maken met de beperkte inbedding van technologie in het curriculum. Toch zijn er volgens Porter tekenen dat dit gaat veranderen, onder meer doordat jongeren hogere verwachtingen hebben ten aanzien van de rol die steeds krachtigere technologie kan spelen bij hun ontwikkeling. (Porter heeft mij beloofd het onderzoek te mailen).

Salmon ging vervolgens verder met de vraag waarom veranderingen in het onderwijs zo traag verlopen. Hoe ouder de onderwijsinstelling, des te lastiger lijkt het om innovaties te bewerkstelligen. Het verbaasde Salmon dat juist de mens zich vaak verzet tegen veranderingen, terwijl een mens zich van nature juist vaak heeft moeten aanpassen aan veranderende omstandigheden. Volgens Salmon ligt dat vooral aan het ontbreken van en concreet perspectief op het resultaat van de veranderingen (iets wat ik inderdaad herken).

Volgens Salmon zouden onderwijs instellingen een innovatiestrategie moeten hanteren die vernieuwing en continuiteit van bestaande activiteiten met elkaar verweeft (dus geen separate projecten). De grootste uitdaging daarbij is volgens Salmon de bereidheid om mensen en middelen te realloceren. Experimenteerruimte is daarbij ook van belang. Bij de universiteit van Leicester gebruikt met daar de Media Zoo voor. Salmon citeerde in dit kader John M. Richardson jr, die ooit stelde:


“When it comes to the future, there are three kinds of people: those who let it happen, those who make it happen, and those who wonder what happened.”


Gilly Salmon eindigde met een aantal voorspellingen met betrekking tot ICT in het onderwijs. Zij verwacht dat de stem van lerenden veel luider zal worden gehoord, en dat studenten actiever gaan bijdragen aan de vormgeving van hun leerprocessen. Salmon ziet ook mengvormen ontstaan van 3D virtuele omgevingen en de 'echte' wereld. Open educational resources zullen ook een belangrijke rol gaan spelen binnen het onderwijs, net als het gebruik van technologie om het onderwijs 'te vergroenen'

Na Salmon en Porter was het de beurt aan Artur Dyro van Young Digital Planet (een e-learning firma die ook leermaterialen uitgeeft). Dyro begon bepaald niet veel belovend (over de achterhaalde dichotomie 'digital natives'-'digital immigrants'). Tot hij inging op een Pools onderzoek naar het gebruik van ICT, en op de veranderende rol van de uitgevers.

Op basis van onderzoek gaf hij bijvoorbeeld aan dat intensief internetgebruik leidt tot betere leerresultaten (ik heb gevraagd of het onderzoek in het Engels beschikbaar is). Ook liet hij Poolse onderzoeksresultaten zien die aangaven dat studenten in Polen vaker gebruik maken van sociale netwerken voor leren, dan van de 'officiële' sites die voor leren bedoeld zijn. Jongeren krijgen via sociale netwerken sneller een antwoord op vragen, en net zo accuraat. Zij worden 'prosumer' (tegelijkertijd consument en producent).

Voor uitgevers zou dit betekenen dat deze anders moeten omgaan met content, om te kunnen concurreren met open en gratis content (de muziekindustrie heeft daar bijvoorbeeld ook al mee te maken). Content van uitgevers zou in kleine objecten moeten worden ontsloten, toegankelijk en herbruikbaar zijn. Ook zouden uitgevers gebruikers in staat moeten stellen om content met elkaar te delen. De content zou moeten op een gepersonaliseerde manier gebruikt moeten kunnen worden (bijvoorbeeld op een adaptieve manier rekening houdend met voorkeuren voor leren).

De rol van de uitgever verandert daardoor drastisch van content provider naar service provider, bijvoorbeeld door onderwijsgevenden te adviseren en te ondersteunen bij het arrangeren van bestaande content. De rol als distributeur zal bijvoorbeeld verdwijnen. Deze rol van uitgevers zal ook gevolgen hebben voor de onderwijsgevende (arrangeren van content vraagt specifieke expertise). Dyro pleitte daarom ook voor een "No teachers left behind"-programma…..

Dyro's verhaal was inhoudelijk niet nieuw. Hij bracht het wel op een leuke manier. De belangrijkste toegevoegde waarde van zijn betoog was dat het afkomstig was van een uitgever zelf.

De plenaire sessie werd afgesloten door Lizbeth Goodman van het Britse Futurelab. Bij haar opening begon ik me behoorlijk ongemakkelijk te voelen. Zij leidde haar presentatie in een niet na te volgen tempo in, en begon vervolgens voor te lezen wat aan het begin van een film op het scherm te zien was. Maar toen kwam het. Goodman liet voorbeelden zien van hoe je technologie kunt gebruiken om het leven en leren van gehandicapten mee te verrijken.

Bijvoorbeeld het gebruik van een 3D omgeving waarin kinderen in een rolstoel zelf hun ideale leeromgevingen konden ontwerpen. Daarbij gebruikten zijn avatars waarmee zij konden vliegen (zoals vlinders of engelen). Of het gebruik van technologie die door oogbewegingen bediend kan worden. Lichamelijk gehandicapten konden daarmee bijvoorbeeld muziek componeren of choreografie maken. Erg indrukwekkend, vooral als je er mee rekening houdt dat veel van de kinderen in de rolstoel inmiddels aan hun ziekte overleden zijn.

De film kan ik zelf nergens op internet vinden. Wel een artikel over een aantal projecten waar Lizbeth bij betrokken is. Belangstelling in het thema 'digital inclusion'? Futurelab heeft veel informatie.

Lees ook de impressie van Ab Bobbink van Avans Hogescholen over deze sessie.

dec 052009
 

Ik heb al eerder geschreven dat de organisatie van de Online Educa Berlin ook voorzichtig experimenteert met alternatieve vormen voor presentaties. Dit jaar waren onder meer Pecha Kucha-sessie geprogrammeerd. Bij deze werkvorm gebruik je twintig dia's/afbeeldingen van elk twintig seconden om je boodschap over te brengen.

Donderdagmiddag ben ik naar zo'n Pecha Kucha gegaan. Hieronder vind je enkele van de filmpjes.

Heike Philp vertelt over de achtergronden van het format Pecha Kucha.

Jay Cross over het achterhaalde concept 'tijd'.

Robin Good (vanuit Rome, via internet) over wat we echt zouden moeten leren.

David James Clarke IV trekt uit tien speelfilms conclusies voor leren. Erg origineel!. Ik kende de spreker niet. Daarom heb ik niet vanaf het begin gefilmd.

Een vijfde spreker vertelde over zijn ervaringen met internet in Uganda. Ik heb over zijn bijdrage getwittert.

Ik vind dit een erg leuke aanpak. De afwisseling zit 'm in de stijl en de onderwerpen, van de verschillende sprekers. Jammer is dat het format in geen interactie voorziet.

dec 052009
 

Donderdagmiddag mocht ik tijdens de Online Educa Berlin de sessie 'Mixed Media for Learning: Hype or Hit?' voorzitten. Vier presentaties werden afgewisseld door discussies over stellingen:

  • Christine Redecker (European Commission, Institute for Prospective Technological Studies) sprak over twee onderzoeken naar het gebruik van sociale media voor informeel en formeel leren.
  • Inge de Waard (Medisch Tropeninstituut in België) sprak over Agora: een applicatie gebaseerd op mash up technologie, waar je user generated content (die op meerdere plekken wordt gedeeld) via één platform toegankelijk kunt maken.
  • John Hill (Universiteit van Denver) illustreerde dat je met gunstig geprijsde tools krachtige leeromgevingen kunt ontwikkelen.
  • Paul den Hertog (Hogeschool van Amsterdam) ging met name in op de maatregelen om de invoering van weblectures te bevorderen.

Als voorzitter heb ik weinig aantekeningen ten behoeve van een verslag gemaakt. De discussie ging over stellingen die gemaakt waren naar aanleiding van de presentaties. We hebben gebruik gemaakt van de back channel CoveritLive. Via Twitter had ik Jeroen Bottema bereid gevonden om deze back channel te modereren (bedankt, Jeroen). De back channel is helaas niet op grote schaal gebruikt, vooral niet om vragen te stellen en te reageren op de stellingen.

Volgens mij heeft dat vier redenen:

  • De internetverbinding was vaak erg traag. Je merkt dat steeds meer mensen tijdens sessies online zijn. De organisatie had een gratis draadloos netwerk beschikbaar gesteld. Maar niet zo krachtig dat je er met honderden tegelijkertijd mee online kunt.
  • Je kunt CoveritLive gebruiken om ook berichten met een bepaalde Twitter-hash tag te ontsluiten. Steeds meer mensen gebruiken Twitter tijdens een congres (ook tijdens de Online Educa). Zij gebruiken dan geen separate back channel. Een handige optie dus van CoveritLive. Twitter heeft voor mij echter voorlopig afgedaan als back channel. Op dit moment is Twitter te onbetrouwbare technologie voor professioneel gebruik. Wat kreeg ik vaak de melding dat er een probleem met Twitter was! Zelfs als de internetverbinding het wel deed. Je kunt er niet vanuit gaan dat je Twitter kunt gebruiken voor online discussies. Als ie het doet is het leuk en waardevol. Maar reken er niet op bij grootschalige evenementen. Dat bleek bijvoorbeeld ook tijdens de plenaire sessie van dag twee.
  • We hadden niet de beschikking over life streaming. Live streaming bevordert de betrokkenheid van mensen buiten de conferentie natuurlijk sterker. Misschien een idee voor volgend jaar. Dat vraagt wel meer van de organisatie. En als je weet dat een aantal van mij beloofde faciliteiten nu al niet of op het laatste moment pas geregeld waren…. (losse microfoon, tweede beamer waarop de back channel gepresenteerd werd).
  • Ondanks dat een grote groep gebruik maakte van mobiele, draadloze en 'sociale' technologie, doet een nog grotere groep dat niet. Het valt me bij de Online Educa altijd op hoeveel mensen weglopen als interactie wordt aangekondigd. Veel mensen lijken voor de consumptie van informatie te komen. In Nederland (bijvoorbeeld bij de Onderwijsdagen) ligt dat volgens mij echt anders. Wellicht dat dit culturele redenen heeft.

Onderstaande afbeelding geeft de statistieken weer van het gebruik van de back channel:

COVERITLIVE.COM - List Live Events-1
  

De discussie met de zaal verliep volgens mij best goed, ook al was de zeer grote zaal (waar vele honderden deelnemers in konden) niet erg geschikt voor een flistend debat (de ongeveer 200 aanwezigen zaten ver uit elkaar). Ik denk dat anderen trouwens beter kunnen oordelen over het debat.

dec 042009
 

De laatste sessie, die ik van de Online Educa Berlin heb bezocht, ging over 'het brein'. Neurowetenschapper Hauke Heekeren van de Vrije Universiteit Berlijn vertelde op een hele heldere manier over technologieën die het mogelijk maken meer te weten te komen over de werking van het brein. Zo kunnen we bijvoorbeeld zien dat mensen met Asperger (deel uitmakend van het autistisch spectrum) een dikkere cortex hebben.

Je kunt echter niet stellen dat er zo iets bestaat als een 'leercentrum' in het brein. Er is eerder sprake van dynamische netwerken in de hersenen die relevant zijn voor leren. Volgens Heekeren moeten we uitspraken over leren, gebaseerd op neurowetenschappen, met scepsis benaderen.


Neuroscience gives no prescriptions for instructional design, only descriptions.


Neurowetenschappen vertellen je niet hoe je je onderwijs moet inrichten, daar heb je leerpsychologen en onderwijskundigen voor. Heekeren leverde ook kritiek op mensen die beweren dat je jongeren op school niet moet leren te plannen, omdat hun hersenen nog niet zijn uitontwikkeld. Daar gaan neurowetenschappers niet over. De integratie van neurowetenschappelijke data in gedragswetenschappen is veel lastiger dan je zou denken.

Heekeren kreeg via Skype bijval van Daniel Willingham. Willingham is auteur van het boek Why Don't Students Like School? en het paper How educational theories can use neuroscientific data. Mind, Brain, and Education (2007). Willingham stelde:


What is the value added of neuroscience for teaching practice? That is snake oil


Ik moet eerlijk bekennen dat ik dit geluid een verademing vind ten opzichte van de hype die momenteel in Nederland heerst om meer aandacht te besteden aan de werking van de hersenen, om van daaruit conclusies te trekken voor didactiek.

Met dank aan Jeroen Bottema, die ook flink heeft getwittert over deze sessie.

OEB2009: Digitale identiteit

 Online Educa  Reageren uitgeschakeld
dec 042009
 

De eerste sessie na de plenaire opening van de Online Educa Berlin ging over de vorming van een digitale identiteit, en de vraagstukken die dat met zich mee brengt. Het onderwerp spreekt me erg aan, maar ik ben ook afgegaan op de sprekers. Verleden jaar heb ik persoonlijk kennis gemaakt met Steve Warburton en zijn partner Margarita Pérez-García. Beiden doen onderzoek naar issues rond digitale identiteit, en hielden hier presentaties. Ik was benieuwd naar hun bijdragen, en wilde de gelegenheid gebruiken om hen te begroeten. De derde spreker was Graham Attwell. Ik heb in een aantal projecten met Graham samengewerkt. Een bijzondere man, die heel betrokken over leren kan spreken. De vierde spreker was Shirley Williams, die ik niet persoonlijk kende.

Steve mocht de sessie aftrappen. Hij gaf aan dat we in een steeds opener en verbonden samenleving leven, waarin online zichtbaarheid steeds belangrijker wordt. Dat bezorgt sommigen hoofdbrekens, vooral als het professionele en persoonlijke door elkaar gaan spelen.
Bovendien, zei Steve: als jij je digitale identiteit niet vorm geeft, doet een andere dat wel. Hij ging onder meer in op dimensies van digitale identiteit. Steve doet onderzoek naar "design patterns" in relatie tot digitale identiteit. Dit begrip is oorspronkelijk afkomstig uit de informatica. Daarbij gaat het om patronen die veelvoorkomende typen ontwerpproblemen oplossen. Hierbij is geen sprake van concrete oplossingen (wat zogenaamde gesloten 'good practices' wel beogen), maar van een soort sjabloon, dat kan helpen het ontwerpprobleem aan te pakken.

Steve vertelde over de manier waarop die ontwerp patronen kunnen worden ontwikkeld. Lees bijvoorbeeld zijn blogpost over anekdotes mbt digitale identiteit en Twitter. Ik kwam op slideshare onderstaande presentatie tegen van Steve over dit concept.

Design Patterns for Digital Identity

View more presentations from Steven Warburton.

Verder is hij betrokken bij de ontwikkeling van een boek over dit onderwerp.

Margarita liet in haar presentatie zijn hoe deze ontwerp patronen voor digitale identiteit werken. Je digitale identiteit is constant in ontwikkeling door interactie met anderen. En daar heb je zelf niet eens altijd invloed op. Of je realiseert je niet altijd dat anderen aan de loop kunnen gaan met elementen van jouw digitale identiteit. Margarita deelt veel over zichzelf via internet. Bijvoorbeeld foto's. Omdat haar moeder uit Midden-Amerika geen account zal nemen bij Flickr, deelt zij foto's publiekelijk op deze site. Ook foto's van haar kinderen. Zij maken immers deel uit van haar leven. Op een gegeven moment verscheen een foto van haar zoontje op een kinderpornosite. Iemand had deze foto uit de privécontext van Flickr gehaald .


When a parent publishes pictures of children online, they contribute to their online identity. Children have no control.


Een design pattern is dan het verstandig en bewust omgaan met het online publiceren van foto's van minderjarigen (in elk geval niet met de 'share alike' Creative Commons licentie). Denk vooral aan het belang van de kinderen, nu en later, was haar boodschap.

Shirley Williams ging op een hele praktische manier in op digitale identiteit en reputatie. Zij stelde dat er sprake kan zijn van een mismatch tussen wat jij wilt dat je digitale identiteit is, en wat anderen er van maken. Mensen produceren in verschillende netwerken. Hebben daar profielen. Hebben er ook baat bij (nieuwe baan). Maar kunnen er ook beschadigd worden doordat zij zelf of anderen er content plaatsen, die bijvoorbeeld kan leiden tot problemen en ontslag. In haar presentatie gaf zij daar ook bekende voorbeelden van:

  • Zou je een emailadres openen van iemand die ireallydontcare@gmail.com openen?
  • Moet je met je leerlingen twitteren?
  • Heb je een apart Facebook-account voor prive en werk nodig?

Williams heeft onderzoek gedaan naar de digitale identiteit via het observeren van gedrag, en het voeren van gesprekken met jongeren. Op basis hiervan heeft zij en haar collega's verhalen verzameld en leermaterialen ontwikkeld. Zie hiervoor http://reading.ac.uk/thisisme.

Graham Attwell ging slechts zijdelings in op digitale identiteit. Hij bekritiseerde op een bevlogen manier het bestaande onderwijs dat gebaseerd is op een verouderd industrieel model, wat niet past bij de digitale samenleving. het onderwijs gaat onterecht uit van een homogene doelgroep. Dat is niet de schuld van docenten, zei Graham:

School system reflects social economic history.


Volgens Graham staan we echter aan de vooravond van grote veranderingen. Een vooravond die overigens wel al een hele tijd lijkt te duren.

Een erg boeiend thema. Helaas bleef het aantal concrete handvatten op dit terrein beperkt. De sessie was vooral gericht, vond ik, op bewustwording.

Helaas kon ik de sessie niet helemaal uitzitten. De sessie die ik mocht voorzitten was onmiddellijk na de lunch en ik moest op tijd in 'mijn zaal' zijn (en de inwendige mens wil ook wat).

dec 042009
 

Ik heb me vermaakt bij de plenaire sessie van de eerste dag van de Online Educa Berlin. Drie sprekers, met een eigen stijl. Maar allen met dezelfde boodschap: het onderwijs moet transformeren om beter aan te sluiten op de eisen die de hedendaagse samenleving stelt. We moeten intensiever gebruik maken van technologie om leren meer flexibel te maken, minder "one size fits all", en om een groter beroep te doen op de competenties die de huidige samenleving van burgers vraagt.

Een boodschap die je wel vaker hoort in Berlijn (en ook op andere congressen). De praktijk is helaas door tal van redenen weerbarstiger. De manier waarop deze boodschap er ingehamerd werd, was divers en mede daardoor de moeite waard. Opvallend twee van de drie sprekers gebruikten geen slides.

Lord David Putnam (o.a. ex-fimproducent van The Killing Fields) schetste het beeld van een wereld die te maken heeft met ernstige, grootschalige en complexe uitdagingen (zoals klimaatveranderingen). Hij sprak van 'Planet Change'/ Het onderwijs zou een belangrijke rol moeten spelen om jongeren daar op voor te bereiden, maar doet dat niet. Hij liet een fragment zien van de film We are the People, waarin onder meer Ken Robinson het onderwijsssyteem bekritiseert dat nog steeds volgens een industrieel model wordt vormgegeven (absolute kijktip!). Hij illustreerde ook dat dankzij nieuwe technologie jongeren veel meer in staat zijn om content te produceren (bijvoorbeeld via YouTube), maar dat het onderwijs in feite volstrekt onvoldoende gebruik maakt van user generated content.

Putnam ging ook kort in op de mogelijkheden van educatieve games, die steeds meer mogelijkheden bevatten voor co-creatie. Hij pleitte ook voor een andere manier van geletterdheid. Jongeren moeten leren beelden te begrijpen en op waarde te schatten. Het onderwijs heeft daarin een taak, ook om bijvoorbeeld onwetendheid ten aanzien van de maatschappelijke uitdagingen tegen te gaan. Bijvoorbeeld om er voor te zorgen dat mensen hun levensstijl overdenken (duurzaam consumeren). Putnam ziet daarin een rol weggelegd voor games, waarmee je consequenties van je handelen expliciet kunt maken. Games noemde hij ook potentiële laboratoria voor ethische en morele vraagstukken. Via games stimuleer je imaginair denken. Docenten zijn hier minder toe in staat.

Brian Durrant van de London Grid for Learning schetste ook een beeld van grote veranderingen, en ging in op de vraag hoe London Grid for Learning daar mee om gaat. De London Grid for Learning is een initiatief dat er voor zorgt dat alle scholen (2600) en bibliotheken in London via glasvezel op internet zijn aangesloten. Ze leveren ook 50 gezamenlijke services, zoals een aanmeldmodule.

Het gaat volgens Durrant echter niet om technologie, maar om de noodzakelijke transformatie van onderwijs en leren. Hij schetst ook een ontwikkeling waarin technologie beroepen (denk aan een arts) drastisch heeft veranderd.

Jongeren publiceren video's die door meer dan 66 miljoen mensen zijn bekeken, terwijl een programma als X-factor door 12 miljoen mensen wordt bekeken. Het onderwijs lijkt echter nauwelijks beroerd te worden door technologie. Er is dus sprake van democratisering van het publiceren, en Durrant verwacht dat het onderwijs ook zal democratiseren. In London probeert hierop in te spelen door jongeren hiervoor een leerplatform te bieden: London MLE.


The London MLE is an integrated learning management system powered by the Fronter Platform. Offering a range of tools for learning and collaboration online, the London MLE was selected in 2007 by London’s local authorities, working collectively as The London Grid for Learning, as the preferred platform for London schools.


Brain Durant liet zien dat lerenden dankzij dit platform meer geïnspireerd en gemotiveerd worden, dat sprake is van flexibel, en continue leren, en dat men het gevoel heeft iets te bereiken. Dankzij dit platform werken scholen ook beter samen, en kunnen leerlingen gemiste lessen inhalen en ook buiten school leren. Leerlingen in achterstandswijken vinden de MLE 'cool' en krijgen zo een reden om te schrijven en gehoord te worden.

Durrant ging ook in vogelvlucht in op geleerde lessen. Bijvoorbeeld dat een succesvolle invoering van ICT voor 70% afhankelijk is van change management of dat leiderschap is belangrijk om autonome scholen te laten samenwerken. Hij presenteerde ook een aardig model rond verandermanagement.

Verder benadrukte hij het belang van ondersteunende wetgeving, een duidelijke governance structuur, en een organisatie als de London Grid die serve & lead als uitgangspunt hebben (en underpromise and over deliver. Op technisch gebied raadde hij aan single sign on als eerste te regelen, en om niet te bezuinigen op bandbreedte. En natuurlijk: communicatie, communicatie, communicatie (weten we allemaal, brengen we lang niet altijd in de praktijk).

Zenna Atkins van Ofsted (en nog andere initiatieven) bracht haar boodschap met veel humor. Zij illustreerde de noodzaak van veranderingen op basis van een flink aantal anekdotes. Zij gaf bijvoorbeeld aan dat er sprake is van een 'geloofwaardigheidskloof'. Ouders in Groot-Brittannië voldoen bijvoorbeeld niet aan de eisen die vandaag de dag aan kinderen worden gesteld. Ook betekent het hebben van een diploma niet automatisch dat je een baan krijgt.


Atkins signaleert ook een 'relevantie kloof': wat geleerd wordt is vaak niet relevant voor het leven van jongeren. Atkins zit in de een of andere adviesraad van de Britse marine. Zij gaf aan dat jongeren meer worden voorbereid op vliegen via een game dan via de school. Zena Atkins bekritiseerde ook de sceptische houding van onderwijsgevenden en onderwijsmanagers ten opzichte van technologie. Zij houden niet van ICT, stelde Atkins, en zij weten ook niet wat ze er mee aan moeten. Technologie -zoals Facebook- wordt vaak verbannen. Maar je zou er juist gebruik van moeten maken.


Dankzij ICT kun je jongeren meervoudig stimuleren. Zij gaf voorbeelden van zelfgeorganiseerd leren door jongeren als je hen maar op een betekenisvolle manier weet te prikkelen. De praktijk is echter dat het onderwijs ICT allesbehalve op een stimulerende manier gebruikt. Tegelijkertijd vertelde zij dat docenten vaak
face-to-face informatie overdragen die jongeren al lang online hebben gevonden. Alleen al doordat jongeren via de elektronische leeromgeving presentaties en opdrachten van verleden jaar kunnen vinden.


Atkins stelde ook:


We structured learning around teachers, systems and builings. Not around customers.


ICT kan juist worden ingezet om de lerende centraal te stellen, en om jongeren voor te bereiden op een samenleving die om een hoge mate van flexibiliteit vraagt:


I need my kid's learning to be as flexible as I know their life is going to be.



Tot slot sprak Zena Atkins haar zorgen uit over een derde kloof: tussen zij die hebben en zij die niet hebben. Grote groepen jongeren worden achtergesteld als het gaat om de mogelijkheden om technologie te benutten voor leren. Dat vraagt om leiderschap, ondernemerschap en de durf om risico's te nemen.

dec 042009
 

Guus Wijngaards van Hogeschool InHolland had tijdens de Online Educa Berlin een open discussie georganiseerd met Berlijnse leerlingen uit het voortgezet onderwijs. De leerlingen lieten eerst zien hoe zij ICT gebruikten voor leren. Vervolgens werd er gediscussieerd over een aantal onderwerpen. Een leuke vorm. Wat viel me hierbij op?

  • Deze jongeren gebruikten een hoop technologie, ook voor leren. Zij nemen daar zelf het initiatief toe. De bronnen die zij gebruikten werden niet door de school aangereikt. Er is een behoorlijk grote kloof tussen hun leven en hun onderwijs.
  • Deze jongeren gebruikten op een diverse manier ICT. Eén jongen omschreef zich als "old school". Hij las liever boeken.
  • Deze jongeren gebruiken veel technologie om te leren, maar benoemden dat lang niet altijd als leren.
  • Deze jongeren schetsten een redelijk dramatisch beeld van de situatie van ICT in het Duitse onderwijs. De faciliteiten deugen niet, er is geen leiderschap, docenten hebben een zeer sceptische houding ten aanzien van ICT.
  • De scholen van de jongeren besteden geen aandacht aan het verzet tegen de dictatuur in Iran, en de rol van social networking daarbij. Terwijl dat deze jongeren wel bezig houdt.
  • Aanwezigen in de zaal zagen een rol weggelegd voor leerlingen om hun docenten te prikkelen om te werken met ICT. Bijvoorbeeld om suggesties te doen om websites te gebruiken. Deze jongeren zagen dat zelf niet zo.
  • Deze jongeren gebruiken internet intensief om te consumeren en te communiceren, maar nauwelijks om te creëren en te delen.
  • Deze jongeren voelen er niets voor om ouders en leerkrachten toe te laten tot hun MSN-contacten of Facebook-pagina.
  • Ik had het idee dat deze jongeren (gymnasiasten) zich bewust waren van de risico's van het publiceren van 'minder geschikte' foto's. Toch kon één van de aanwezigen in de zaal het niet laten hen hierover de les te lezen. Best genant.

Ik heb met mijn Flip onderstaande impressie gemaakt. Ik had vooraf toestemming gevraagd (en gekregen) om de fragmenten op YouTube te publiceren.

dec 032009
 

Over deze vraag ging het debat aan het einde van de eerste dag van de Online Educa Berlin. Aric Sigman hield een vurig pleidooi voor minder social computing. Donald Clark ging hier fors tegen in. Clark verwijt Sigman onder meer "cherry picking" uit wetenschappelijke artikelen (die eigenlijk niet over social networking gaan), Sigman stelt dat Clark geen wetenschapper is.

Eigenlijk gaat het hierbij om twee botsende visies. Het gaat over vertrouwen in de capaciteiten en talenten van mensen versus de behoefte om mensen van uit 'low trust'-houding te controleren. Over wijsheid van menigten versus een 'expert-leken'-benadering. Over democratisering, zelfbestemming en zelfverantwoordelijkheid versus het verdedigen van de status quo, afhankelijkheid en het handvaven van bestaande machtsverhoudingen. Over veranderen versus aanpassen. In het onderwijs vertaalt zich dit in organisatiegecentreerd vs lerende-gecentreerd leren.

Ik vind het verder opvallend dat mensen als Sigman online contacten niet 'sociaal' vinden. Terwijl je volgens mij -mede als gevolg van social computing- het begrip 'sociaal' zou moeten herdefiniëren. Hoeveel mensen heb ik niet persoonlijk leren kennen dankzij mijn weblog of Twitter?

In elk geval kreeg Clark net iets meer mensen op zijn hand, toen over de stelling werd gestemd dat social computing slecht is voor jongeren. Je weet natuurlijk niet waarom mensen voor of tegen stemmen (Sigman ging -heel slim – met name in op de mate van gebruik). Maar op een Online Educa had ik in elk geval een duidelijker score in het voordeel van Clark verwacht. De 'e-learning-wereld' is wellicht behoudender dan ik dacht.

In elk geval vond ik het leuk dat de organisatie een debat heeft georganiseerd, in plaats van weer plenaire verhalen (ook al bestond dit debat deels uit betogen). Eerder heb ik dit dapper genoemd. Voor een eerste keer vond ik het zeker geslaagd.

dec 032009
 

Over een dik uur gaat de Online Educa Berlin van start. Gisteren zijn weer enkele cijfers bekend gemaakt, die illustreren dat dit congres het grootste, internationale, e-learning congres van Europa is:

  • Er zijn meer dan 2000 deelnemers uit 91 landen geregistreerd. De officiële cijfers worden vrijdag bekend gemaakt. Maar ik hoorde gisteravond dat een record aantal wordt verwacht.
  • Meer dan 300 sprekers uit 38 landen geven acte de presence.
  • 104 bedrijven/organisaties presenteren zich op de beurs.

En dan te bedenken dat dit congres 15 jaar geleden is begonnen als een disseminatieactiviteit van een Europees project!

Verder vormen de Nederlanders weer de grootste buitenlandse delegatie. Er is altijd sprake van een 'competitie' tussen de Britten (verleden jaar op 1, nu op 2), de Noren (nu op 3) en de Finnen (4). Het zou me overigens veel liever zijn als dit de uitslag zou zijn van de komende WK Voetbal.

IMG_0093