Op het gebied van leren en ontwikkelen gaat het te vaak om ‘of-of’. Of een persoonlijke leeromgeving, of een institutionele elektronische leeromgeving. Om informeel leren of formeel leren. Ik vind dit weinig vruchtbare discussies. Volgens mij kun je beter denken in termen van continuüms, en verschillende manieren van leren daarop onder te brengen. En mede op basis daarvan bepalen wanneer je waarom voor welke manier van leren kiest.
De rol van Twitter bij professionalisering via een persoonlijk leernetwerk
Sociale media, en speciaal Twitter, spelen vandaag de dag een belangrijke rol bij het ontwikkelen, onderhouden en gebruiken van een persoonlijk leernetwerk. Je wordt je bewust van ideeën en mogelijkheden die eerst onontgonnen gebied voor jou waren. Het cureren van informatie is daarbij een essentiële bekwaamheid.
Tips voor het creëren van een persoonlijk leernetwerk
Een persoonlijk leernetwerk is van grote waarde voor een levenlang leren. Daarvan ben ik mede op basis van mijn persoonlijke ervaring overtuigd. Mark Wagner geeft tien tips voor het creëren van een persoonlijk leernetwerk. Eigenlijk zijn het geen tien tips, maar negen tips en één effect.
Continue reading »
Persoonlijke leeromgevingen kunnen met recommender systemen cognitieve belasting reduceren (#in)
In First steps towards an integration of a Personal Learning Environment at university level gaan Martin Ebner, Sandra Schön, Behnam Taraghi, Hendrik Drachsler en Philip Tsang in op de uitdagingen van persoonlijke leeromgevingen binnen het hoger onderwijs.
Persoonlijke leeromgevingen (PLE), gebaseerd op mash up technologie, worden gezien als middel om het gebruik van diverse sociale media hanteerbaar te maken, studenten te helpen om te gaan met massa's informatie en cognitieve belasting te helpen reduceren. Deze leeromgevingen kunnen leren helpen personaliseren. De auteurs gebruiken de volgende definitie van een persoonlijke leeromgeving:
learning applications that enable learners to integrate and organize dispersed online information, resources and contacts, and furthermore allow for content and other elements developed in a PLE to be applied in other online environments (Schaffert & Kalz 2009).
In paragraaf 2.1 vatten zij de voor- en nadelen van een PLE ten opzichte van een leermanagement systeem (LMS) op een aantal aspecten samen. Zo stelt een PLE hoge eisen aan zelforganisatie van de student, en verlangt werken met een PLE dat de lerende goed informatie kan zoeken, vinden en gebruiken. De auteurs concluderen:
What is more, a shift in educational and learning culture is not only a precondition but also a consequence of actively supporting and implementing PLEs.
Een daadwerkelijke conceptuele verschuiving van LMS naar PLE hebben Ebner cs nog nergens waargenomen. De TU in Graz heeft wel een prototype ontwikkeld, op basis van zogenaamde widgets, dat in paragraaf 4 van dit paper wordt beschreven. Binnen de Open Universiteit is de de portal van OpenU gebaseerd op portlets die te vergelijken zijn met widgets.
PLE's kunnen ook massa's informatie ontsluiten als een lerende veel weblogs, social bookmarking feeds en tweets via widgets in zijn PLE ontsluit. De auteurs zien in recommender systeemtechnologie een mogelijke oplossing om vervolgens informatie te filteren. In hun laatste paragraaf onderscheiden zij vier typen systemen om aanbevelingen te doen:
- Studiepad recommender systemen. Op basis van bepaalde voorgedefinieerde studiepaden en feedback op cursussen krijgen studenten aanbevelingen om cursussen te volgen.
- Widget recommender systemen. Gebruikers krijgen vooral suggesties om bepaalde widgets in hun PLE te gebruiken, bijvoorbeeld op basis van de cursussen die zij volgen.
- Peer student recommender systemen.Op basis van bepaalde thema's krijgen studenten de kans zich aan te sluiten bij bepaalde interessegroepen. Ebner cs zien dit o.a. als volgt voor zich:
Shared interests of students could be established by comparing their tag cloud, search terms and documents used in the past.
- Hybride recommender systemen. Hierbij gaat het in feite om een combinatie van bovenstaande systemen.
Een interessante ontwikkeling, die ook erg relevant is voor het OpenU-project waar ik me mee bezig houd.
Sociale media combineren met elektronische leeromgevingen? (#in)
Willen studenten sociale media die zij privé en voor zelfgeorganiseerd leren gebruiken integreren met de elektronische leeromgeving van de onderwijsinstelling? De ontwikkelaars van de applicatie Mixable beantwoorden deze vraag met een overduidelijk 'ja'.
Zij hebben geconstateerd dat veel conversaties over het onderwijs plaats vinden via sociale media zoals Facebook en Twitter. De mobiele applicatie Mixable (ook te gebruiken via de iPhone, Android, Blackberry en iPad) stelt studenten in staat om artefacten, die zij geplaatst hebben op platforms zoals Facebook, YouTube, Twitter en Dropbox, te publiceren binnen cursussen en groepen. Daarbij gaat het met name om zogenaamde short-form content zoals bookmarks, vragen en korte berichten. Maar ook om podcasts of videocasts. Uitgangspunt is overigens dat je Mixable gebruikt en per bijdrage ervoor kunt kiezen of je de bijdrage ook wilt plaatsen op, bijvoorbeeld, Twitter. Documenten, video's en dergelijke worden niet binnen Mixable opgeslagen, maar in Dropbox of Youtube.
Opvallend is dat medewerkers rapportages kunnen krijgen van deze activiteiten, die zij vervolgens kunnen relateren aan 'formele' studentinformatie (zoals cijfers).
De initiatiefnemers concluderen:
Mixable attempts to provide a simple way to connect students in the same class or learning community by moving the conversation to places where students already live virtually — mobile devices and Facebook or Twitter. In addition, the technology begins to provide a framework where faculty can develop new pedagogical approaches that take advantage of mobile and open technologies, while still gathering analytics and preserving student privacy.
In feite mixt deze toepassing sociale media niet met de elektronische leeromgeving. Zij passen sociale media toe binnen elektronische leeromgevingen en laten de lerende de keuze of men de conversaties ook wil delen via de sociale media die zij privé gebruiken. Een slimme keuze, aangezien veel studenten privé en studie graag gescheiden willen houden (ook al spoort dit gegeven niet met de reeds genoemde veronderstelling van de ontwikkelaars).
Bij het gebruik van de rapportagefunctionaliteit heb ik nog wat vragen. Leidt dit niet tot het formaliseren van conversaties? Worden lerenden niet erg terughoudend bij het plaatsen van short-form content? Hoe gebruiken medewerkers deze data nu daadwerkelijk (en met welk doel)? Ondergraaft deze mogelijkheid niet juist de potentie van het gebruik van sociale media binnen leersituaties?
Mixable is overigens pas recent in gebruik bij 21 cursussen van de Pudue University (bij zo'n 1300 studenten). De toekomst zal dus waarschijnlijk antwoord geven op deze vragen.
Binnen de Open Universiteit zijn we overigens ook met dit thema bezig. Maar daarover meer op een later moment.
Presentatie Studium Generale over sociale media als persoonlijke leeromgeving (#in #wrple)
Vandaag verzorg ik bij STOAS Hogeschool een studium generale over het gebruik van sociale media voor leren en onderwijs. Daarin laat ik ook zien hoe ik zelf sociale media gebruik als persoonlijke leeromgeving.
Studium Generale over sociale media als persoonlijke leeromgeving (#in #wrple)
Morgenmiddag verzorg ik een studium generale over het gebruik van sociale media als persoonlijke leeromgeving. Ik gebruik hierbij Twitter als back channel. Je kunt de tweets hier volgen. De hashtag is #wrple.
In de -hopelijk interactieve- presentatie sta ik stil bij sociale media, opvattingen over leren, en het gebruik van sociale media ten behoeve van het leren. Ik illustreer ook hoe ik sociale media gebruik voor mijn eigen leren.
Het studium generale vindt plaats bij de STOAS Hogeschool in Den Bosch, en duurt van 13-14.30 uur.
Heeft het e-portfolio nog bestaansrecht? (#in)
Donald Clark heeft wat los gemaakt met zijn kritische blogpost E-portfolios – 7 reasons why I don’t want my life in a shoebox. Hij stelt onder meer:
Politicians and educators of the ‘control freak variety’ love the idea, but like identity cards, the rest of us seem to be completely indifferent. So why have they not taken off?
Volgens Clark zijn er zeven redenen waarom het e-portfolio geen succes is geworden:
- Gebrek aan interoperabiliteit.
- Het e-portfolio is geïnstitutionaliseerd (en dus geen eigendom van de lerende).
- Het e-portfolio pas niet bij de menselijke natuur. Mensen willen volgens Clark niet hun leven lang een e-portfolio bij houden.
- Mensen beschouwen zichzelf niet als een 'leven lang lerend'.
- Het is niet mogelijk om informatie uit verschillende sociale netwerken, waarin mensen participeren, te ontsluiten via een e-portfolio.
- Ontwikkelaars van e-portfolio's zijn niet in staat technologische en culturele ontwikkelingen rond technologie, bij te houden.
- Werkgevers hebben geen tijd om zich te verdiepen in e-portfolio's van sollicitanten.
Net als Graham Attwell ben ik het deels eens met Donald Clark. Graham geeft m.i. terecht aan dat een e-portfolio wel degelijk een belangrijke rol kan spelen in het kader van een leven lang leren:
We all learn to a greater or lesser extent every day. Not from the schooling system but through work and play, through informal learning. Of course we do not recognise that as learning and often would not identify ourselves as learners. And then the issue is how that learning can be recognised societally. Not through ‘my life in a shoebox’ but precisely my life outside the shoebox of formal certification and records of achievement.
And coming back to Donald’s shoebox – is this anything new? Prior to e-Portfolios, we all kept bundles of certificates and formal qualifications – indeed often in a shoebox. e-Portfolios have the potential to free us from such restrictions and such narrow ways of looking at learning.
Clark heeft m.i. ook slechts eenzijdig oog voor het e-portfolio als 'showcase', en als beoordelingsinstrument. Daarnaast miskent hij onder andere de behoefte van werkgevers om een duidelijker profiel te krijgen van solicitanten, voordat zij op gesprek komen (van een beperkt aantal sollicitanten wil je volgens mij wel degelijk een e-portfolio bekijken).
Tegelijkertijd moeten we erkennen dat we het e-portfolio eenzijdig zijn gaan gebruiken voor formeel leren. Het e-portfolio wordt veel te weinig gebruikt als instrument om de individuele ontwikkeling zichtbaar te maken, die vooral ook het gevolg is van meer informele vormen van leren.
E-portfolio's worden vaak sterk voorgestructureerd zodat het gebruik ervan beheersbaar blijft voor instituten. Daarnaast is veel (subsidie) geïnvesteerd in systemen en standaarden die het 'e-portfolio landschap' vooral complex hebben gemaakt.
Kunnen we om ons te profileren niet volstaan met een LinkedIn-profiel dat je kunt aanvullen met artefacten die onze bekwaamheden illustreren? Integratie van bepaalde uitingen op sociale netwerken kunnen via mash up technologie worden gerealiseerd (de hashtag '#in' kan al worden gebruikt om tweets zichtbaar te maken op je LinkedIn-profiel). En kunnen we geen weblog gebruiken om je persoonlijke ontwikkeling zichtbaar te maken (in combinatie met online videoplatforms als YouTube of Vimeo)? Denk ook aan de Blikki's van Arne Horst. Een verbeterpunt zou zijn: het eenvoudiger selectief kunnen beveiligen van video's en blogposts.
Ok. Werkgevers en opleiders worden dan geconfronteerd met een diversiteit aan portfolio's. En het zal lastig worden om e-portfolio's te importeren in systemen van werkgevers. Maar als je concludeert dat een e-portfolio een leermiddel is voor de leven lang lerende, en verder gebruikt kan worden voor persoonlijke profilering, dan worden eisen die organisaties stellen aan interoperabiliteit op eens een stuk minder belangrijk.
Ik geloof daarom nog steeds in een tweede leven voor het e-portfolio.
Stephen Downes attendeert zijn lezers op een paper over het The 3P Learning Model:
a vision of learning characterized by the convergence of lifelong, informal, and personalized learning within a social context.
De auteurs -Mohamed Amine Chatti, Matthias Jarke en Marcus Specht- beschrijven in dit paper drie kernelementen van het model:
- Personalisering.
De lerende en diens leerbehoeften en leervoorkeuren staan centraal. Hij is ook 'in control', en geeft zelf sturing aan zijn leren (self-directed). Zij pleiten ook voor gepersonaliseerde benaderingen van adaptief leren, die minder 'top down' zijn georganiseerd dan de gebruikelijke programma's die adaptief leren mogelijk willen maken. Denk daarbij aan voorgeprogrammeerde leerpaden waarbij lerenden 'een weg inslaan' op basis van antwoorden die zij op vragen geven. Chatti cs pleiten voor persoonlijke leeromgevingen (PLE) die zelfgeorganiseerd, informeel, een leven lang leren en leren in netwerken mogelijk maken, en die principes van constructivisme en connectivisme in de praktijk weten te brengen.
In PLEs, personalization is triggered by the learner, rather than processed by an intelligent system. The PLE-driven approach to learning does not focus on adaptivity, i.e. the top-down configuration of a set of learning elements following some pre-defined rules. It rather focuses on adaptability and emphasizes learner’s self-direction, selforganization, and self-control.
Volgens de auteurs is een PLE niet zo zeer een applicatie, maar meer een concept dat lerenden ondersteunt bij het formuleren van hun eigen leerdoelen, bij het organiseren van hun leren (inhoudelijk en procesmatig), en bij het communiceren met anderen in het kader van het leerproces.
- Participatie.
Leren is een sociaal proces, dat samen met anderen plaatsvindt. De auteurs richten zich in dit paper op het perspectief van leren als een netwerk (Learning as a Network, LaaN), dat niet uitgaat van groepen of gemeenschappen, maar van persoonlijke, horizontale verbindingen. Leren is voor het individu dan het voortdurend bouwen, onderhouden en uitbreiden van het persoonlijke 'kennisnetwerk'.
In LaaN, participation suggests permanent listening, active networking, and genuine knowledge sharing with others, thus enabling each participant to build and extend her PKN, and in so doing learn.
Een centraal begrip daarbij is de kennisecologie.
- Knowledge-Pull.
The knowledge-pull approach to learning is based on providing learners the access to a plethora of tacit/explicit knowledge nodes and hand over control to them to select and aggregate the nodes the way they deem fit, to enrich their personal knowledge networks.
Bij deze benadering gaat het er dus om dat mensen in staat zijn strategieën en instrumenten toe te passen die hen helpen bij het hanteerbaar maken van massa's informatie.

In het laatste deel van hun paper passen Chatti, Jarke en Specht dit summier toe in een raamwerk voor leren met behulp van social software.
Deze benadering spreekt mij erg aan, maar roept ook een aantal vragen op:
- Doet gepersonaliseerd leren, zoals hierboven omschreven, geen groot beroep op bekwaamheden van lerenden, waarover velen wellicht nog niet beschikken?
- Welke rol spelen onderwijsinstellingen binnen het 3P leermodel?
- Is er geen plaats voor formeel leren in dit model?
- Is het onderwijs voldoende in staat om lerenden voor te bereiden op de knowledge-pull-benadering?
Start persoonlijke leeromgeving TU Graz (#in)
Martin Ebner meldt dat de TU van Graz (Oostenrijk) vanaf vandaag een persoonlijke leeromgeving (PLE) gaat 'uitrollen' (ik zal niet uitwijden over de mogelijke paradox in deze formulering). Zij hebben anderhalf jaar gewerkt aan de ontwikkeling hiervan.
Het mooie is dat de TU Graz ook een gastaccount heeft, zodat belangstellende externen deze PLE ook kunnen bekijken. Als je inlogt, zie je dat de PLE bestaat uit een persoonlijke desktop. Links staat een navigatiemenu. Rechts bestaat de pagina vooral widgets. Gebruikers kunnen deze pagina zelf aanpassen door widgets (bijvoorbeeld van Twitter, Facebook en Google Maps) te verwijderen of toe te voegen (dit laatste mogen gasten niet). Vergelijk het met iGoogle.
Als je op het linkermenu klikt, krijg je opties te zien die ook leiden naar pagina's met widgets. Bijvoorbeeld naar My TeachCenter (cursussen voor docenten; in de demo leeg) of naar My TU Graz Online, waar je leeractiviteiten en docenten kunt vinden (zie onderstaande afbeelding).
My CommunicationCenter leidt bijvoorbeeld naar een pagina met widgets van facebook, nieuwsgroepen en je mailaccounts. Gebruikers worden ook aangemoedigd zelf widgets te ontwikkelen.
Wat mij opvalt, is dat lang niet inhoud even geschikt is voor een widget. Informatie over leeractiviteiten bestaat bijvoorbeeld uit veel tekst. De interface is m.i. dan niet gebruikersvriendelijk. Daarnaast heb ik niet duidelijk voor ogen of de TU Graz deze PLE wil gebruiken om alternatieve manieren van leren te ondersteunen. De inhoud van de demo komt op mij nogal aanbodgestuurd over.