Facebook en onderwijs lijkt niet altijd een gelukkig huwelijk te zijn. Toch kun je goede resultaten met dit sociale netwerk gebruiken, zo bleek uit de praktijkervaringen bij de Hanzehogeschool.
Facebook-gids voor het onderwijs (#in)
Dankzij een tweet van Remco Pijpers (@remcopijpers) ben ik terecht gekomen bij de gids Facebook for Educators. De gids beschrijft zeven manieren waarop onderwijsgevenden Facebook kunnen gebruiken:
- Door bij te dragen aan de ontwikkeling van schoolbeleid ten aanzien van het gebruik van Facebook.
- Door leerlingen te stimuleren de richtlijnen van Facebook te volgen.
- Door op de hoogte te blijven van de settings van Facebook op het gebied van privacy en beveiliging. Wist je dat de settings van jongeren onder de 18 jaar verschillen van Facebook-gebruikers ouder dan 18?
- Door goed digitaal burgerschap te bevorderen. Volgens de auteurs bestaat digitaal burgerschap uit drie elementen:
- Jezelf online gedragen, zoals je je ook offline gedraagt (van een aantal mensen hoop ik dat ze dat juist niet doen).
- Je verantwoord en met mededogen online gedragen.
- Anderen in jouw online community in de gaten houden, en aanspreken.
Wat mij betreft hadden de auteurs dit deel wel verder en concreter mogen uitwerken.
- Door Facebook-pagina's en -groepen te gebruiken om te communiceren met ouders en leerlingen. De gids bevat ook een overzicht van educatieve Facebook-pagina's.
- Embrace the digital, social, mobile, and “always-on” learning styles of 21st Century students. Dit hoofdstuk bevat helaas weer Digital Natives-onzin. Verder wordt vooral gepleit om facebook te gebruiken voor samenwerkend leren, en mobiel leren.
- Door Facebook te gebruiken voor de eigen professionele ontwikkeling.
Zoals je ziet zijn dit geen zeven manieren waarop onderwijsgevenden Facebook kunnen gebruiken, maar zeven aspecten waar je binnen het onderwijs aandacht aan moet besteden met betrekking tot Facebook. De inhoud is bovendien in een groot aantal gevallen ook relevant voor andere sociale netwerken.
Ik kan niet ontdekken of het boek is geschreven in opdracht van Facebook. De auteurs schrijven in elk geval wel positief over dit bedrijf (o.a. hoe men handelt ten opzichte van veiligheid en privacy).
Facebook voor schoolorganisaties (#in)
Zo'n meivakantie is heel plezierig. Eén nadeel: de bulk achterstallig werk, en de opgebouwde verzameling te lezen artikelen die op je wachten (en ik ben al erg selectief). Zoals het artikel How Schools Can Use Facebook to Build an Online Community van David Hartstein. Dit artikel biedt m.i. een goed overzicht van mogelijkheden om binnen 's werelds meest populaire sociale netwerkapplicatie binnen het onderwijs te gebruiken. Wat valt mij hierbij op?
- Hartstein waarschuwt weliswaar voor de risico's voor de veiligheid van (jonge) lerenden, maar stelt m.i. terecht dat:
“being safe” shouldn’t mean missing out on a key opportunity to engage the community.
- Jongeren gebruiken Facebook, of je nu wilt of niet. Je kunt daarom beter zelf een professionele schoolpagina hebben, waarover jij de controle kunt hebben.
- Verreweg de meeste voorbeelden hebben betrekking op de communicatie met lerenden en hun familie (nieuws, gebeurtenissen, aankondigingen, foto's en video's delen, schoolcultuur illustreren, data). Of eigenlijk op het zenden van informatie naar deze doelgroepen.
- De auteur pleit er ook voor om personeel via Facebook te werven.
- Facebook wordt ook geprofileerd als een medium om medewerkers en lerenden aan te trekken.
- David Hartstein adviseert ook om Facebook te gebruiken om feedback te krijgen van je gemeenschap, om discussies te houden over thema's, om polls te houden en om de functionaliteit Facebook Questions te gebruiken.
- David Hartstein gaat niet in op de vraag of en hoe je Facebook op een didactische manier kunt gebruiken. Moet dat? Nee. Om ICT te gebruiken bij leeractiviteiten heb je immers veel applicaties tot je beschikking.Wellicht zijn andere applicaties geschikter voor leren (en willen jongeren Facebook liever voor andere doelen gebruiken).
Hartstein benadrukt ook het belang om de Facebook-pagina's persoonlijk te maken. Ik heb zelf vaak de indruk dat door de organisatie gecontroleerde Facebook-pagina's juist niet persoonlijk zijn. In het vliegtuig, op vakantie, heb ik o.a. de film The Social Network gezien. Deze film laat o.a. zien hoe Facebook is ontstaan als medium dat vooral de sociale en niet-taakgebonden communicatie tussen studenten wil faciliteren.
Eén van de zaken die opvalt -en ook volgens mij het succes van Facebook verklaart-, is dat oprichter Zuckerberg zich heel sterk verdiept in wat de doelgroep wil. Een ander kenmerk: het eigenaarschap dat de gebruikers in het begin hebben ervaren. Facebook was van studenten, niet van de onderwijsinstelling. Wellicht krijg je juist persoonlijke Facebook schoolpagina's als je lerenden deze laat beheren (onder -afnemende- begeleiding).
Hoe Facebook de relatie met studenten kan versterken (#in)
Lisa Nielsen vermeldt tien manieren waarop Facebook de relatie tussen lerenden en onderwijsgevenden kan versterken. Er zitten voor de hand liggende manieren bij (zoals tijd- en plaatsonafhankelijk ondersteuning krijgen), of manieren die ook met andere tools uit te voeren zijn (checken of de les doorgaat of participeren terwijl je niet op school kunt zijn). Maar ik zie ook meer originele toepassingen in de lijst terug (weliswaar niet altijd specifiek voor Facebook):
- Facebook legt de verantwoordelijkheid bij de lerende. Je kunt nooit beweren dat je bepaalde informatie nooit hebt gekregen, of dat je bepaalde vragen niet hebt kunnen stellen.
- Je hebt altijd de mogelijkheid om te participeren, zelfs als je ziek bent.
Snow days and sick days don’t hold you back
- Door gebruik te maken van Facebook worden leerlingen vertrouwd met communicatiemiddelen en omgangsregels van de 'echte' wereld.
- Facebook blijkt erg geschikt te zijn om lerenden snel te mobiliseren. Ik vermoed dat dit komt door de Facebook-apps voor smartphones waardoor notificaties op Facebook net zo snel werken als een sms.
Met wereldwijd meer dan 500 miljoen gebruikers kun je wel stellen dat Facebook tot de 'echte wereld' behoort, en een massamedium is. Ook al kan dit per land verschillen. Ik kan me dan ook goed voorstellen dat onderwijsinstellingen dit sociale netwerk met name voor de communicatie met lerenden inzetten. Daarbij wel rekening houdend met zaken als privacy en professionele omgangsregels (leerlingen zijn je vrienden niet). En kritisch kijkend naar de relatie tussen je communicatie- en leerdoelen, en alle technologieën waarover je de beschikking hebt.
De verbonden generatie (#in)
Verleden week kwam ik dankzij een tweet van @josiefraser Connected Generation: Young People and Social Networks: Outline van Tim Davies op het spoor.
Davies gaat in dit artikel in op de grote populariteit van sociale netwerken, ook al zijn deze niet altijd even toegankelijk voor mensen wereldwijd. Smartphones zorgen overigens wel voor een steeds grotere toegankelijkheid van sites als Facebook. Ook illustreert hij dat sociale netwerken in diverse landen verschillend worden gebruikt. Davies stelt verder:
Social media and social networking sites have created new public squares: places where people can meet with friends; do business; gather in crowds or visit alone; find out local gossip, or talk about national issues; share their creativity and find arts and entertainment; and listen to or engage in political expression.
In zijn bijdrage vat hij samen hoe jongeren sociale media gebruiken:
- Om contact te onderhouden met hun vrienden.
- Om toegang te krijgen tot media, vermaak en informatie (vaak gepubliceerd of ontsloten door hun vrienden).
- Om hun eigen identiteit te verkennen.
- Om geïnformeerd te worden over status updates van vrienden, en nieuws.
- Om nieuwe contacten te onmoeten en actief te zijn in groepen.
- En uiteraard ook als digitale hangplek.
Davis licht ook toe dat er nogal wat mythes en werkelijkheden zijn als het gaat om kansen en risico's van het gebruik van sociale media door jongeren.
1. Jongeren besteden veel tijd aan sociale netwerken, vaak terwijl zij ook andere taken (proberen) uit te voeren. Sommigen geven ook zelf aan minder tijd te willen besteden aan sociale media. In navolging van
Howard Rheingold pleit Davies daarom voor aandacht voor ‘attention literacy’: wanneer kun je je beter richten op andere taken, en is het verstandig uit de flow of conversation te stappen? Daarbij is het ook van belang je te realiseren dat sociale media een belangrijke rol spelen bij meer informele vormen van leren.
2. Veel jongeren maken zich wel degelijk druk over privacy, ook al geven zij van zichzelf veel bloot op internet (waarbij het werkelijke publiek vaak kan verschillen van het beoogde publiek). Jongeren hanteren daarbij vaak zelf doordachte strategieën om hun privacy te beschermen. Davies schrijft:
There are both risks and benefits to new forms of SNS-enabled online transparency: risks of identity theft or of state surveillance of individuals are, for many, set against benefits of sharing in online communities, or being visible in ways that can bring better job prospects or other opportunities. Privacy isn’t dead; but it is constantly evolving.Helaas geeft hij geen voorbeelden van dergelijke strategieën. Maar het zal duidelijk zijn dat veel jongeren vaak bewust moeten worden van de steeds ontwikkelende privacy, en zullen moeten leren daar slim mee om te gaan.
3. Dankzij sociale media kunnen jongeren in contact komen met gevaarlijke ideeën en groepen (denk aan voetbalhooligans die sociale netwerken gebruiken om rellen te organiseren). Veel jongeren bewegen zich echter vooral in de digitale ruimtes van hun vrienden.
4. Jongeren kunnen in contact komen met volwassenen die hen (sexueel) willen misbruiken. Naar verhouding komt dat echter weinig voor, ook al is elk incident er één te veel. Bovendien heeft onderzoek van het Amerikaanse Crimes Against Children Research Centre volgens Davies aangetoond dat jongeren die online te maken krijgen met sexueel misbruik, daar ook offline vaak mee te maken hebben. Een opvallende bevinding, vind ik.
Tim Davies typeert sociale netwerken als 'versterkers':
They can amplify the opportunities available to young people with existing positive connections and opportunities; but they can also amplify the vulnerabilities of the vulnerable. Offering vulnerable and disadvantaged young people support to develop the skills to get the most out of online social networking may turn out to be an important role for those who work with them.
Een extra complexiteit hierbij is -volgens de auteur- dat de nieuwe publieke plaatsen, die sociale netwerken zijn, eigendom zijn van commerciële organisaties. Dit vereist een zekere overheidsregulering, stelt hij.
Organisaties, die zich met jongeren bezighouden, zouden zich volgens Tim Davies bewust moeten zijn van de invloed van sociale media, en jongeren helpen daar op een goede manier mee om te gaan. Daarnaast zouden zij na moeten gaan hoe zij deze media kunnen gebruiken om het eigen werk te verbeteren, en om in contact te komen met jongeren. Ook zouden zij risico's en problematische situaties bespreekbaar moeten maken.
Davies heeft wat mij betreft een evenwichtige bijdrage geschreven over de positie van sociale media binnen de leefwereld van jongeren. Tevens formuleert hij bondig de pedagogische opdracht van organisaties die met jongeren werken. Onderwijsinstellingen behoren daar ook toe. Het niet toegankelijk maken van sites als Facebook of Hyves helpt daar niet bij. Sterker: als sociale netwerken bijdragen aan de identiteitsontwikkeling van jongeren, dan kan het afsluiten van sociale media zelfs pedagogisch onverantwoordelijk zijn.
Facebook kan vriendschappen verstoren (#in)
Niet iedereen is gelukkig met een Facebook-pagina. Je kunt er zelfs verstoorde relaties krijgen met je real life-vrienden, blijkt uit onderstaande episode van South Park….(met dan aan collega Marcel Spoler voor de tip).
Summify helpt informatie sociale netwerken filteren (#in)
Een paar dagen voor de Kerst schreef ik over de kracht van Twitter. Michaël Rosseel wees daarbij op Summify, een tool die helpt informatie uit sociale netwerken te filteren.
En inderdaad: Summify is erg handig als social news reader. Vooral bij Twitter en Facebook is het zaak -door de enorme stroom aan berichten- om berichten op een effectieve manier te filteren.
Hoe werkt Summify?
Je koppelt je Twitter-account, Facebook-account en Google Reader account aan Summify. Vervolgens aggregeert de HTML5-applicatie nieuwsberichten op basis van de sociale reacties van je netwerk. Dus als een bepaald artikel vaker wordt 'getwitterd', dan verschijnt het hoog op jouw lijst met top nieuws.
Je kunt Summify als web applicatie gebruiken (pull; helaas niet als RSS-feed), of als e-mail ontvangen (push).
De ontwikkelaars zijn ook bezig met een mobiele applicatie. Daar hoop ik erg op. E-mail gebruik ik het liefste voor één-op-één communicatie, of voor communicatie met enkelen. Aanvankelijk vond ik het maximale aantal van tien berichten per dag beperkt. Maar nu ik Summify een week of twee gebruik, vind ik dat aantal eigenlijk wel prima zo. Verder merk ik dat ik websites vooral via Google Reader of specifieke applicaties zoals MobileRSS, Tweetdeck of Twittelator bezoek. Het Summify-nieuws gebruik ik eigenlijk ook nauwelijks online. Wellicht dat een aparte applicatie daar verandering in gaat brengen.
Kortom: volgens mij kan Summify helpen bij het hanteerbaar maken van massa's informatie. Een voorwaarde is wel dat je een krachtig, actief, sociaal netwerk hebt.
Hoe kun je Facebook voor social learning gebruiken? (#in)
Jane Hart is een handboek over het gebruik van Facebook voor samenwerkend leren aan het ontwikkelen. De gids bevat basale informatie over Facebook en over aspecten als het ontwikkelen van een community en communiceren met anderen.
Het meest interessante vind ik de onderdelen die ingaan op het gebruik van Facebook binnen leersituaties. Bijvoorbeeld de activiteiten die je binnen Facebook kunt ontplooien, na afloop van een les. Of het gebruik van Facebook voor micro-learning. Hart presenteert ook Facebook apps die je voor leren kunt gebruiken.
Een handige gids, vind ik. Vooral omdat je een aantal tips ook binnen andere omgevingen dan Facebook kunt toepassen. Verder valt op dat Jane Hart zich niet beperkt tot social learning. In de onderdelen van de gids, die ik heb bekeken, ben ik overigens niet echt kritische kanttekeningen ten aanzien van het gebruik van Facebook binnen het onderwijs tegen gekomen.
Leren in team … stadia, fasen, niveaus? van Sibrenne Wagenaar gaat in op teamleren, en bevat een voor mij tot dusver nieuw onderscheid in leerstadia van Kasl e.a.:
- Gefragmenteerd leren: teamleden leren in principe afzonderlijk. Bijvoorbeeld omdat men elkaar nog niet kent. Of omdat teamleden zich onvoldoende beseffen wat de relatie is tussen taken en visies (er is in feite dus nauwelijks sprake van een gemeenschappelijke basis).
- Geclusterd leren: binnen een team leren kleine groepen met elkaar. Leerresultaten worden echter niet collectief gedeeld en gewaardeerd.
- Geïntegreerd leren: er is sprake van collectief en continu leren. Het team onderzoekt en experimenteert veel, en is bereid buiten bestaande kaders te treden (ook al neemt men daarmee persoonlijk risico).
Wagenaar zoekt eigenlijk naar een nieuwe naam voor het begrio ‘leerstadia’, omdat zij er geen waardeoordeel aan wil hechten. Wellicht is het begrip ‘type’ inderdaad beter op zijn plaats.
Kasl en de zijnen hebben dit onderscheid meer dan tien geleden gemaakt. In een tijd dat er nog geen sociale netwerktechnologie, zoals we die nu kennen, bestond. Ik vraag me dan ook af of er geen extra dimensie bij is gekomen. Het onderscheid van Kasl heeft een sterke ‘organisatieinterne’ focus. Binnen de huidige netwerkmaatschappij kun je met behulp van sociale media de grenzen van je organisatie doorbreken. Medewerkers kunnen op het eerste oog afzonderlijk leren, maar toch samen met anderen kennis delen en creëren. Ik mis dus het leren in netwerken, en de relatie tussen de typen teamleren en leren in sociale netwerken.
Er ontstaat volgens mij ook een nieuwe dynamiek als ‘de buitenwereld’ betrokken wordt bij geclusterd en geïntegreerd leren. Uiteraard levert dit ook nieuwe vraagstukken op. Bijvoorbeeld de vraag wat bedrijfsgevoelige informatie is.
Negatieve gevolgen van constante attentie (#in)
De afgelopen week vertelde een kennis mij dat haar man haar in de auto belde en vroeg of zij over de oude Waalbrug bij Nijmegen reed. Verbaasd keek zij in de achterruitspiegel: reed hij achter haar aan? Maar nee: op hun iPad kon hij zien waar haar iPhone zich bevond.
Dankzij nieuwe internettechnologie komt steeds meer informatie over individuen, voor steeds meer mensen beschikbaar. Slimme systemen geven je het gevoel permanent onder toezicht te staan. Deze constante attentie kan echter negatieve, persoonlijke, gevolgen hebben aldus het BBC-artikel How to cope when the world can watch everything you do zich af?
Researchers are investigating ways to help people cope and combat the feelings of incompetence, shyness and sheer embarrassment many people feel when trapped in the spotlight of technology. That will become especially acute with new technology that people do not know how to use.
Er wordt nu onderzoek gedaan naar deze vorm van verlegenheid. Technologie speelt daarbij overigens een belangrijke rol. Sensoren kunnen vrienden bijvoorbeeld laten weten dat jij hulp nodig hebt als je je opgelaten voelt. Ook kan technologie er voor zorgen dat applicaties weten wanneer je wel persoonlijke informatie wilt delen, en wanneer niet.
Heel vaak hebben we het over privacy en veiligheid (denk aan cyberpesten), in relatie tot digitale aanwezigheid. Maar er kan dus ook sprake zijn van psychologische, nadelige, gevolgen.