Evaluatieonderzoek moet zicht bieden op de juiste ‘blend’

Het onderwijs en opleidingen bestaan steeds vaker uit een mix van face-to-face leren en online leren: blended learning. Er lijkt een steeds grotere variëteit in ‘typen blended learning’ te ontstaan. De noodzaak van meer onderzoek naar wat werkt en wat niet werkt wordt daarmee urgenter. Daarover gaat de bijdrage Evaluating what works in blended learning.

De auteur verwijst naar een white paper van Michael Horn over blended learning. Horn onderscheidde aanvankelijk zes categorieën blended learning. Inmiddels heeft hij deze terug gebracht tot vier:

  1. Rotatie – Binnen een bepaalde cursus of onderwerp wisselen lerenden op basis van een vast schema of aangestuurd door een docent tussen leeractiviteiten, waarvan er minstens één online wordt uitgevoerd.
  2. Flex – Inhoud en instructie worden voornamelijk online verzorgd, lerenden wisselen via een geïndividualiseerd en flexibel schema tussen leeractiviteiten, terwijl de docent fysiek aanwezig is voor ondersteuning. Blended learning wordt dus op school toegepast.
  3. Self-mix – Lerenden volgen een of meer cursussen volledig online, in aanvulling op hun traditionele cursussen. De docent is fysiek aanwezig bij traditionele cursussen en online bij online cursussen.
  4. Verrijkt virtueel – De volledige onderwijservaring bestaat uit afwisseling van online en face-to-face leren. De leer- en onderwijstijd van elke cursus, van elk vak of project, bestaat uit een afwisseling van online en offline instructie en begeleiding.

In de praktijk komt een grote diversiteit aan vormen van blended learning voor. Daarbij is het de vraag welke mix goed werkt. Dankzij ICT beschikken instellingen over mogelijkheden om data over het leren te verzamelen en te analyseren. Deze analyses geven feedback aan docenten, lerenden en ouders over het leren, en kunnen worden gebruikt voor het samenstellen van een mix aan leeractiviteiten.

Dergelijke systemen worden daarom van groot belang geacht voor een succesvolle implementatie van online leren. Ook ander evaluatieonderzoek moet inzicht geven in het samenstellen van kwalitatief goede mengvormen van online en face-to-face leren.

Professionalisering van docenten en management wordt door de auteur ook als kritische succesfactor voor blended learning omschreven. Net als het hebben van een duidelijke visie op leren, en de bereidheid om die visie aan te passen tijdens de implementatie (als evaluatiegegevens daar aanleiding toe geven).

Evaluating what works in blended learning stelt ook dat eigentijds onderwijs in feite ook zou moeten bestaan uit een combinatie van blended learning en competentiegericht leren, waarbij vooral gekeken wordt naar de individuele voortgang van een lerende. Daarbij is dan ook sprake van grotere samenwerking tussen docenten onderling en van open leerruimtes.

Students work through “playlists” of resources, including online curriculum and videos from Khan Academy. Teachers hold seminars in the breakout rooms on various topics the students are learning.
Students create their own schedules; they attend the seminars that are helpful to them and work through their playlists of curricula. When they are ready to take an assessment and move on to the next topic, a teacher unlocks the quiz for them. If they pass, they move on. If they don’t, the assessment tells them exactly what topics they need to focus on to improve.

De belangrijkste les uit deze bijdrage is de noodzaak van evaluatieonderzoek bij blended learning. Welke mix van online en face-to-face leeractiviteiten leidt tot goede leerresultaten? ‘Learning analytics’ kan een belangrijke bijdrage leveren aan deze evaluaties. Maar ik zou toch zeker ook willen pleiten voor kwalitatieve onderzoeksmethoden. Het belangrijkste is echter dat überhaupt evaluatieonderzoek wordt uitgevoerd. Als jurylid van de Nederlandse e-learning award heb ik bijvoorbeeld ervaren dat dikwijls nauwelijks wordt gekeken of e-learning werkt.

 

This content is published under the Attribution 3.0 Unported license.

Tags: ,
Top

%d bloggers liken dit: