Ik en mijn Oranjeziekte #wk2014

De meeste mensen kennen mij als een nuchtere, rationele, jongeman. Die rationaliteit verdwijnt echter als sneeuw voor de zon als het Nederlands elftal een EK of WK speelt.

Ik houd van voetbal. Maar ik volg het niet al te fanatiek. Het blijft beperkt tot ‘zondagavond, bord op schoot’. Ik kijk doordeweeks eigenlijk nooit naar Champion’s Leagewedstrijden. Oefeninterlands en zelfs kwalificatiewedstrijden van Oranje kijk ik praktisch nooit. Maar als een EK of WK begint, en Nederland doet mee, dan ben ik niet te houden. Niet dat ik mij kleed in een belachelijk juichpak of dat ik het huis versier. Maar vlak voor de wedstrijd gieren de zenuwen wel door mijn keel. Na afloop ben ik net zo schor als na vier dagen Carnaval. Als ‘wij’ winnen ben ik dolgelukkig, terwijl ik lijd als ‘zij’ verliezen.

Het is begonnen in 1974. Ik was toen tien jaar. De uitslagen en doelpuntenmakers van de wedstrijden van Oranje ken ik ook zonder Wikipedia uit mijn hoofd. Wat waren we briljant. En wat was het onterecht dat we verloren van West-Duitsland. 7 juli 1974 werd voor mij een ijkpunt in de geschiedenis. Ik heb Duitsers echt gehaat. Als ik op vakantie voetbalde, moest het Duitse jongetje in het Bayern-shirt het ontgelden. Wim Suurbier was er niets bij. En het bizarre was: dat gedrag werd door de mannelijke volwassenen van onze familie aangemoedigd. Positieve bekrachtiging kan dus ook worden misbruikt, leerde ik achteraf. Gelukkig is die haat al vele jaren verdwenen. Berlijn is één van mijn favoriete steden. Ik ben dol op Eisbein, en ga graag met Weiberfassnach naar Aken of Keulen. Ik werk samen met Duitse collega’s, die ik erg waardeer. Ik vind Duitsers over het algemeen zelfs vriendelijker, toleranter en hoffelijker dan Nederlanders (om maar even te generaliseren). Maar nog steeds kan ik er niet tegen als ‘zij’ van ‘ons’ winnen. Wel heeft Auke Kok met ’1974. Wij waren de besten’ de laatste schellen van mijn ogen doen vallen.

De WK van 1978 staat me minder goed bij dan die van vier jaar eerder. Ik weet wel nog dat ik het belachelijk vond dat Bram en Freek pleitten voor een boycot (de abjecte FIFA heeft een lange geschiedenis van foute beslissingen). Ik herinner me de fantastische doelpunten tegen Italië (Arie Haan en Ernie Brandts), en ik heb ook toen voor de TV zitten janken toen Nederland verloor van Argentinië.

Het Heizeldrama was de aanleiding voor een dip in mijn liefde voor voetbal. Met verbijstering heb ik gezien hoe in Brussel 39 doden vielen. Niets wilde ik meer te maken hebben met voetbal. Ik nam me voor nooit meer naar een live wedstrijd te gaan kijken, terwijl ik voor die tijd bijna tweewekelijks naar de thuiswedstrijden van Roda JC ging. Die afspraak met mezelf heb ik sinds die tijd 1x geschonden.

De EK van ’88 heb ik nog wel gevolgd, maar zonder veel enthousiasme. Ik woonde destijds op de hoek Van Nispenstraat-Berg en Dalseweg en baalde van die malloten die na het Wonder van Hamburg toeterend richting Duitse grens reden.

De toernooien van 1990 en 1992 heb praktisch aan mij voorbij laten gaan. Tijdens de geruchtmakende wedstrijd Nederland-Denemarken zaten we zelfs met GroenLinks te vergaderen. De Oranjeziekte heeft me weer te pakken gekregen vanaf ongeveer 1994. Zo ben ik gebleseerd geraakt toen Dennis Bergkamp in 1998 zijn briljante doelpunt tegen Argentinië maakte. Ik sprintte op sokken door de kamer, raakte in een slip op de houten vloer en knalde met mijn rechterbil op de punt van de eetkamer tafel. Bont en blauw, was ik.

Sinds die tijd vragen de buren mijn niet van voetbal houdende vriendin regelmatig of we met vrienden de wedstrijd hebben gekeken, met het oog op de geproduceerde decibellen (‘Nee. Wilfred was alleen thuis’). In 2008 heb ik mijn lieve vriendin en een logerend nichtje letterlijk het huis uitgezet toen zij tijdens Nederland-Rusland zaten te ‘geiten’. Twee jaar geleden zei mijn schoonzus na Nederland-Denemarken dat zij een Wilfred had gezien, die zij niet kende (ondanks dat we toen al 26 jaar bij elkaar over de vloer kwamen). We hadden nog nooit samen naar een interland gekeken. Gistervond bleef het nog lang onrustig in huize Rubens.

Ik weet: deze Oranjeziekte is niet normaal. Schrale troost:
Ik heb er vooral zelf last van, want ik kijk meestal alleen. Ik ben namelijk niet zo gezellig tijdens wedstrijden. Ik word nooit geweldadig (ik heb vier jaar geleden alleen een container een schop verkocht en met mijn oranjepet gegooid). Ook duurt deze ziekte niet lang. En mijn zus is erger.

This content is published under the Attribution 3.0 Unported license.

Delen

4 reacties

  1. Dagelijks volg ik je blogs over onderwerpen die me na aan het hard liggen, reageren doe ik nooit. Deze persoonlijke notitie over je Oranje-ziekte raakt me echter nog meer: het zou over mezelf kunnen gaan. Weet dat je niet als enige lijdt aan deze ziekte die slechts bij EK- en WK-wedstrijden opspeelt. Ik kan je blog in elk geval gebruiken als bij bewijs naar mijn vrouw en dochters dat ik niet de enige patiënt ben.

  2. Hoe herkenbaar, als hartgrondig Utrecht fan, en liefde voor alle balsporten. Reglematig in het stadion. De liefde voor voetbal met name overgedragen aan dochterlief die op haar 27e zelf niet onverdienstelijk 2e klasse voetbalt…ben ik een oranje gekkie, zonder uiterlijk vertoon. Ik zat in 1988 in de Arena en zag “onze” jongens verliezen. Maar ja….hier in huis een hartgrondig voetbalhater is het lastig. Bij de buren kijken, in de kroeg kijken…en stiekem op de bank…als hij even wat anders doet.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

* Checkbox GDPR is verplicht

*

Ik ga akkoord

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.