Wat bevordert en belemmert participatie in een online cursus?

Vijf factoren bevorderen of belemmeren participatie in een online cursus, die is opgezet als een community of practice. Die conclusie trekken de auteurs van het artikel Foundations of communities of practice: enablers and barriers to participation. Wat betekent dit voor docenten van online cursussen?

Hive

Foto: Tom Gill

Gezien het aantal hits en tweets heeft mijn blogpost over waarom docenten wel of geen kennis online delen een duidelijke snaar geraakt. Daarom verwacht ik dat deze blogpost over een case study naar participatie in een online cursus ook op jullie belangstelling kan rekenen. De bevindingen sluiten namelijk aan op mijn eerdere blogpost.

De auteurs hebben aan de hand van verschillende methodes onderzoek gedaan naar wat participatie in een cursus over de theorie van communities of practices stimuleert danwel verhindert. Zij gaan eerst in op het fenomeen ‘community of practice’. Volgens de auteurs overwegen deelnemers daarin voortdurend hoe actief zij in deze gemeenschappen willen zijn: wil men in het hart verkeren, of juist in de periferie? Het gebruik van technologie is daarbij onder meer van invloed op het gevoel van nabijheid van leden van een community. Binnen onderzoek naar online communities of practices ligt de focus op connecties, interacties en de ontwikkeling van relaties.

De cursus, waar de auteurs onderzoek naar hebben gedaan, ging over de theorie van communities of practices, maar was ook opgezet als een community of practice. De 26 deelnemers hadden een gezamenlijke interesse en gedeelde ervaringen, en een online platform waarbinnen geleerd werd. Drie mentoren (voormalige deelnemers aan de online cursus) en drie facilitators begeleiden de cursus.

De onderzoekers constateren dat veel deelnemers inloggen, maar dat slechts een klein deel van de deelnemers actief online participeert. Je zou verwachten dat deelnemers die zich juist inschrijven voor een online cursus over dit thema intensiever participeren. Het blijken echter gewone stervelingen te zijn.

Bijna 77% van de deelnemers plaatste minder dan 65 bijdragen tijdens de zeven weken durende online cursus (het laagste aantal bijdragen was 0). De meest actieve deelnemer plaatste 243 bijdragen. Verder bekeek bijna 70% van de deelnemers minder dan 1000 pagina’s (minimaal 24), terwijl de meest actieve participant 5855 pagina’s heeft bekeken. En ja: er is een verband tussen bijdragen plaatsen en pagina’s bestuderen.

Op basis van hun analyse beschrijven de auteurs de volgende belemmerende en bevorderende factoren:

  • Emoties. Daaronder valt bijvoorbeeld dat deelnemrs zich overdonderd kunnen voelen door reacties, of gefrustreerd omdat men de leerervaring complex vindt. De gebruikte technologie kan ook tot emoties leiden.
  • Technologie. Daaronder valt bijvoorbeeld het inloggen, de complexiteit van de omgeving of de wijze van navigeren. Binnen de online cursus is een scala aan technologieën gebruikt. Voor sommige deelnemers werkte dit goed, terwijl anderen -vooral degenen met minder ervaring met ICT- dit ingewikkeld vonden. Het gebruik van synchrone technologieën wordt bijvoorbeeld erg gewaardeerd omdat hierdoor onderlinge verbindingen worden bevorderd. Het onderzoek leert ook dat deelnemers bekwaam moeten zijn om technologieën te gebruiken. Een aantal participanten moest ook duidelijk wennen aan online leren. Perifere participatie in een online community of practice of cursus kan dan ook een gevolg zijn van de technologie. Identiteitsvorming verloopt online complexer.
  • Connectiviteit. Een deel van de deelnemers voelde zich verbonden met anderen, terwijl een andere groep veel minder het gevoel had ‘connected’ te zijn. Deze verbindingen waren gerelateerd aan activiteiten die lerenden ondernemen.
  • Begrip van de culturele normen van de community. Deze normen hebben onder meer te maken met de wijze waarop technologie voor communicatie wordt gebruikt. Denk daarbij aan het gevoel dat je uitdrukt dat je naar anderen luistert.
  • Spanningen ten aanzien van leren. Daaronder vallen onder meer het gevoel dat je wat geleerd hebt, de eventueel ervaren kloof tussen theorie en praktijk, tussen actie en reflectie of het ervaren verschil tussen ervaren lerenden en ’novices’. Ook de benodigde tijd voor verdiepende reflectie maakt hier deel van uit.

In de discussieparagraaf formuleren de onderzoekers een aantal aanbevelingen:

  • Zorg dat je een beeld hebt van de expertise van lerenden op het gebied van ICT. Gebruik eenvoudige technologie, en ondersteun lerenden bij het gebruik van technologie (bijvoorbeeld via een introductie).
  • Onderzoek hoe je emotionele reacties kunt identificeren, en hoe je lerenden kunt ondersteunen in het omgaan met die emoties.
  • Besteed aandacht aan de normen van de community. Actief betrokken deelnemers begrijpen de impliciete normen en cultuur van een community. Laat lerenden expliciet maken hoe zij willen leren en hoe zij aankijken tegen connecties binnen een dergelijke community. Binnen een online cursus van 7 weken heb je daar overigens maar beperkt tijd voor.
  • Stimleer dat deelnemers hun leerstrategie aanpassen aan de leeromgeving. Erken daarbij dat je spanningen ten aanzien van leren veelal niet kunt minimaliseren, maar moet leren te hanteren. Het ontwikkelen van een community via een gestructureerde cursus levert bovendien al spanningen op. Je kunt communityontwikkeling immers slecht binnen een bepaalde tijd afdwingen.
  • Ontwikkel goede en duidelijke materialen en processen die de inrichting van een community bevorderen.

Bron: Guldberg, K., & Mackness, J. (2009). Foundations of communities of practice: enablers and barriers to participation. Journal of Computer Assisted Learning, 25(6), 528–538. doi:10.1111/j.1365-2729.2009.00327.x

Ook dit artikel is niet vrij verkrijgbaar te krijgen.

This content is published under the Attribution 3.0 Unported license.

Geplaatst in Didactisch gebruik technologie Getagd met , ,