jun 252013
 

Verleden week is editie 2013 van Vier en Balans verschenen. In dit jaarlijks te verschijnen rapport beschrijft Kennisnet de stand van zaken met betrekking tot ICT in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. In de meeste berichten hierover ligt de nadruk op het kwantitatieve gebruik van ICT. Zeker bruikbaar. Maar er zijn andere zaken die mij opvallen in deze editie.

Kennisnet positioneert ICT in het onderwijs binnen de ambitie van de overheid om te streven naar excellentie, ondanks relatief geringe financiële middelen (Nederland geeft naar verhouding minder geld uit aan onderwijs dan het gemiddelde OESO-land). Binnen dat streven naar excellentie zal het onderwijs meer gepersonaliseerd moeten worden (meer inspelen op specifieke behoeften van de lerende), en wordt professionalisering van het personeel (terecht) gezien als een noodzakelijke voorwaarde.

Mede aan de hand van feiten en cijfers laat Vier in Balans zien hoe zeer internettechnologie een centrale plek heeft gekregen binnen ons dagelijks leven. Met name het gebruik van mobiel internet groeit er snel (p. 16). Zo is het aantal belminuten het afgelopen jaar nagenoeg gelijk gebleven, zijn we minder gaan sms-en, maar veel meer data met onze smartphone gaan gebruiken. Ook gebruiken we -zoals bekend- op grote schaal sociale media (vooral jongren tussen de 15 en 19 jaar), maar zijn we minder digitaal vaardig dan gedacht.

Vervolgens werkt Kennisnet uit dat de implementatie van ICT in het onderwijs bij dient te dragen aan twee doelstellingen:

  • Het verhogen van het leerrendement (hogere motivatie, verbeteren leerprestaties, efficiënter leerproces).
  • Het doelmatig organiseren van het leerproces (tijdsbesparing, meer transparantie in resultaten, hogere professionaliteit, betere sturing).

Opvallend hierbij is dat Kennisnet niet rept over doelen zoals meer flexibilisering, het creëren van afwisselende leeractiviteiten of het bereiken van doelgroepen die nu nog niet door met name het middelbaar beroepsonderwijs worden bereikt.

Vier in BalansOm de twee doelstellingen te bereiken is een integrale benadering nodig van visieontwikkeling, deskundigheidsbevordering, inhoud en toepassingen (w.o. materialen) en infrastructuur. Dit alles vraagt ook om leiderschap.

Persoonlijk mis ik hierbij aandacht voor aanpassing van processen (zoals intake of onderwijsontwikkeling), aanpassing van de organisatie (zoals coördinatie) en investeringen in een leercultuur (ten behoeve van een hogere professionalisering). Ik erken dat het model daarmee complexer wordt.

In hoofdstuk 3 beschrijft Kennisnet vervolgens de uitkomsten van het onderzoek dat men door TNS-Nipo heeft laten uitvoeren. Daaruit blijkt dat meer dan 50% van de onderwijsinstellingen ICT binnen het het huidige onderwijsconcept wil gebruiken, en tussen de 10% (PO) en 27% (MBO) ICT wil gebruiken om het onderwijs ingrijpend te veranderen. Deze cijfers zijn vergelijkbaar met de onderzoeksresultaten uit 2012. Verder blijkt dat managers positiever over leiderschap zijn dan docenten, dat het management wel stimuleert maar weinig concrete afspraken maakt, en dat de deskundigheid van docenten op het gebied van ICT en digitale didactiek met uitzondering van het MBO gestaag toeneemt (vooral wat betreft ICT-basisvaardigheden). Wat betreft deskundigheid vallen de verschillen tussen de onderwijssoorten erg op. Docenten in het primair onderwijs lijken op het gebied van digitale didactiek bekwamer dan andere docenten. Leidinggevenden blijken vaardigheden van docenten op het gebied van digitale didactiek onvoldoende te vinden. Docenten zelf zijn daar een stuk positiever over, hoewel MBO-docenten zichzelf dit jaar kritischer beoordelen dan verleden jaar.

Kennisnet neemt ook een toename waar in het gebruik van digitaal materiaal, dat docenten met zelf zoeken op internet. Daarnaast beschikken scholen steeds vaker over draadloze en mobiele technologie, ook al is het gebruik van tablets nog beperkt. Binnen het MBO maken leerlingen relatief vaak gebruik van een eigen ‘device’. ICT wordt bovendien in de klas in toenemende mate gebruikt (ongeveer 80% van de docenten maakt dagelijks tot wekelijks gebruik van vooral internet, specifieke software en methodegebonden software).

Kennisnet heeft ook gevraagd naar de opvattingen van docenten en managers over de meerwaarde van ICT. Beiden geloven daar in, al zijn managers enthousiaster over de gevolgen voor het onderwijs dan docenten. Ook hierbij vallen de verschillen tussen onderwijssectoren op. Leraren in het primair onderwijs blijken veel optimistischer te zijn dan docenten in het VO en vooral docenten in het MBO (p. 46). In 2012 zijn andere vragen gebruikt, waardoor het lastig is de opvattingen met elkaar te vergelijken.

Kennisnet concludeert in het vierde hoofdstuk dat het onderwijs weliswaar fors investeert in ICT, en op zich ook positief staan ten opzichte van ICT, maar er toch niet in slaagt om het onderwijs effectiever en efficiënter te maken (terwijl onderzoek laat zien dat dit wel kan). Dat komt volgens de auteurs omdat de wijze waarop ICT wordt ingezet dikwijls niet past bij de onderwijsvorm die men na streeft. Bij leraargestuurd onderwijs zou je ICT dan moeten inzetten voor instructies en oefenen, bij zelfstandig leren zou je gebruik moeten maken van adaptief leermateriaal, terwijl persoonlijke leeromgevingen gebruikt zouden moeten worden voor zelfgeorganiseerd leren. Ook stellen zij dat de meeste scholen -gezien hun ambitie om het onderwijsconcept niet te veranderen- ICT dus vooral zouden moeten inzetten voor instructie en toetsen. Flipping the classroom noemen zij daarbij als voorbeeld. Daarbij valt op dat Kennisnet zich niet de vraag stelt naar de effectiviteit van de verschillende onderwijsvormen. Wel pleiten zij ervoor om foute keuze te minimaliseren met behulp van kennis over wat wel en niet werkt op het gebied van ICT in het onderwijs.

Het is terecht dat Kennisnet het verband legt tussen het onderwijsconcept en de wijze waarop ICT wordt ingezet. Ik vraag me hierbij wel af of de indeling in onderwijsvormen niet te grofmazig is. Het concept van de flipped classroom vind ik bijvoorbeeld zeker niet volledig ‘leraargestuurd’. En waar passen bijvoorbeeld vormen van samenwerkend leren bij?

In het begeleidende persbericht legt Kennisnet de nadruk op op kwantitatieve gegevens. In een speciaal bericht over het MBO benadrukt de webredactie MBO van Kennisnet dat het mbo voorop loopt in het gebruik van tablets en laptops. Daar gaat het natuurlijk niet om. Op een aantal terreinen loop het MBO duidelijk achter (zie hierboven). Kennisnet concludeert zelf dat betere materiële randvoorwaarden op zichzelf niet leiden tot meer of beter computergebruik (p. 55). Ik wil daar nog wel aan toevoegen dat meer computergebruik op zichzelf ook niet leidt tot beter gebruik van ICT. Ik durf zelfs te stellen dat veel ICT-gebruik in de klas dikwijls niet effectief is. Ik pleit dan ook voor meer onderzoek naar de wijze waarop ICT wordt gebruikt, en voor meer professionalisering op didactisch goed doordacht gebruik van technologie.

Tot slot. In de Verenigde Staten wordt zeer regelmatig onderzoek gepubliceerd naar de stand van zaken op het gebied van e-learning. In Nederland is Kennisnet eigenlijk de enige organisatie die dat op niet-commerciële basis doet. Ik hoop dan ook dat de ‘onderzoekstak’ van Kennisnet niet al te veel zal lijden onder de aan Kennisnet opgelegde bezuinigingen. Dergelijk onderzoek is niet iets wat je aan ‘de markt’ kunt overlaten.

This content is published under the Attribution-Noncommercial-Share Alike 3.0 Unported license.

Geef een reactie

%d bloggers like this: