Twaalf bevindingen van de Online Educa Berlijn 2013 #oeb13

Online Educa Berlijn editie 2013 is weer achter de rug. Wat is mij dit jaar opgevallen? Lees mijn twaalf belangrijkste bevindingen.

  1. Er was veel, zeer veel, aandacht voor MOOCs. De toonzetting was -uitzonderingen als Donald Clark daargelaten- echter nogal nuchter van aard. Massive Open Online Courses vormen vermoedelijk vooral een bruikbare manier van leren voor professionals die bij willen blijven op hun vakgebied. Clark verwacht onder meer dat MOOCs vooral bijvoorbeeld binnen beroepsonderwijs en bedrijfsopleidingen toegepast zullen worden. Je kunt ze bovendien prima gebruiken in combinatie met face-to-face leren.
    Keynote spreker Viktor Mayer-Schönberger
    Keynote spreker Viktor Mayer-Schönberger Foto: ICWE GmbH

    Maar eigenlijk mag je het geen cursussen noemen (maar bijvoorbeeld Content). Bovendien mag je kwaliteitscriteria van cursussen (zoals het aantal drop outs) ook niet zo maar van toepassing verklaren op MOOCs. De motivatie van de lerenden verschilt namelijk sterk van die van cursussen. Dat blijkt ook uit onderzoeken. De Olympische gedachte lijkt van toepassing te zijn op MOOCs: deelnemen is belangrijker dan ‘winnen’ (certificaat). Tenslotte moet je niet verwachten dat je er aan gaat verdienen. Daarom blijft de vraag ‘hoe financieren we MOOCs als we er nauwelijks aan gaan verdienen?’ wat mij betreft nog boven de markt zweven. Behalve als je MOOCs aanbiedt om te experimenteren met innovaties, om onderzoek te doen of vanuit maatschappelijke verantwoordelijkheid (kennis delen). Als je goed naar de argumenten van voor- en tegenstanders van het MOOC-debat kijkt, dan kun je concluderen dat zij het eigenlijk niet heel erg oneens met elkaar zijn. Laat het concept ‘Course’ los, en de kou is voor een groot deel uit de lucht.

  2. Als je MOOCs beschouwt als bruikbare vormen voor een leven lang leren, maar niet als ‘revolutie’ in het hoger onderwijs, dan is de grote aandacht voor dit thema tijdens de Online Educa Berlijn 2013 wellicht overdreven te noemen.
  3. Er zijn diverse geleerde lessen gedeeld ten aanzien van het ‘learning design‘ van MOOCs. Zo bleek uit één casus dat de structuur van de leeractviteiten belangrijk is om lerenden ‘bij de les’ te houden. Volgens de spreker gaat veel flexibiliteit ten koste van uitval. Dit heeft vermoedelijk echter te maken met de vergelijking van MOOCs met gewone cursussen. Als je die vergelijking los laat, kan flexibiliteit juist van belang zijn. Verder werd in een aantal sessies benadrukt dat betekenisvolle discussietaken belangrijk zijn om interactie in online cursussen (massaal of niet) en communities te bevorderen. Dat blijkt ook uit onderzoek.
  4. Er was, zoals ik al verwachtte, relatief veel aandacht voor nieuwere manieren van leren. Voorbeelden zijn ‘peer learning‘, adaptief leren en mobiel leren (waarbij nog steeds sprake is van de nodige ‘uitdagingen’) Helaas gingen de sprekers daarbij lang niet altijd de diepte in. Er was bijvoorbeeld vrij weinig aandacht voor didactiek bij peer learning en adaptief leren. Het onderscheid tussen gedifferentieerd leren (lerenden beperkte keuzemogelijkheden bieden), gepersonaliseerd leren (pre-assessment afnemen en op basis daarvan een leerplan samen stellen) en adaptief leren (leerroutes samen stellen op basis van analyse van patronen van al het leergedrag van lerenden) vind ik wel bruikbaar. Het pleidooi om je bij mobile learning niet zo te focussen op content, vond ik ook mooi.
  5. Interessante initiatieven, die ik gehoord en gezien heb, waren het evaluatieonderzoek naar de effecten van een leerplatform (al kun je op de uitvoering wel het e.e.a. aanmerken) of het Noorse portaal met online content gekoppeld aan het nationale curriculum. De ontwikkeling van dit portaal wordt sterk gestuurd vanuit de Noorse overheid. In Nederlands kennen we natuurlijk het Wikiwijsleermiddelenplein.nl. Achterliggend doel van dit initiatief is om scholen en docenten te ondersteunen bij het samenstellen van de optimale leermiddelen(mix), en te zorgen voor centrale beschikbaarheid van leermiddelen. Wikiwijsleermiddelenplein.nl heeft echter geen ‘hoger’, maatschappelijk, doel zoals goedkoper maken van het onderwijs of het verlagen van de werkdruk van docenten. Het Noorse portaal heeft dat wel (aantal drop outs verlagen), al vraag ik me af of dit middel wel in lijn is met het maatschappelijke doel. De toekomst zal het leren.
  6. De twee benaderingen van docentprofessionalisering (leren via online communities en het initiatief van online docentobservaties) zijn wat mij betreft ook mooie illustraties van het gebruik van technologie ten behoeve van alternatieve, betekenisvolle, manieren van deskundigheidsbevordering. De constatering dat leren eigenlijk een constante in het dagelijks leven van professionals, en het gegeven dat we alomtegenwoordig en veelzijdig leren (ubiquitous and versatile learning) is niet nieuw, maar wel belangrijk.
  7. Verder heb ik met belangstelling gekeken naar een alternatief voor Questionmark Perception (Surpass, op de beurs). Helaas heb ik geen tijd gehad om andere stands uitgebreid te bezoeken. Het viel me bijvoorbeeld op dat bedrijven in opkomst zijn die online examens afnemen waarbij de surveillance met behulp van technologie op afstand plaatsvind. ProctorU is daar een voorbeeld van.
  8. Er was veel aandacht voor het gebruik van online video voor leersituaties. Zowel asynchroon als synchroon (weblectures, webinars). Ik heb daar zelf geen sessies over bezocht.
  9. Big data en learning analytics vormen ook blijvertjes. Tijdens de Online Educa Berlijn was hier ook veel aandacht voor. Het is m.i. geen ‘Amerikaanse’ ontwikkeling die over zal waaien. Alleen al omdat veel bedrijven, waarvan de producten ook in ons land op grote schaal worden gebruikt, er fors in investeren en ook Nederlandse onderwijsinstellingen verleid zullen worden er mee te gaan werken. Bovendien is de potentie groot (more, messy, correlations; adaptief leren mogelijk maken, reflecties op leerprocessen faciliteren).
    Ik wil daarbij wel een onderscheid maken tussen niveaus van gebruik. Het praktijkvoorbeeld van het gebruik van data door een hoogleraar om studenten feedback te geven, is m.i. een mooi voorbeeld van learning analytics op microniveau. De data wordt gebruikt voor terugkoppeling en communicatie. Dat kan weinig kwaad, en bied snel meerwaarde. Aan de andere kant wordt learning analytics ook op het niveau van de organisatie gebruikt (mesoniveau) of zelfs op organisatie-overstijgend niveau (macro). Op die niveaus gaat het om het herkennen van patronen, en het interpreteren hiervan om zelfs voorspellingen te doen. Dat is meer risicovol. Bijvoorbeeld ook omdat lerenden wellicht risicomijdend gedrag gaan vertonen of hun leven lang worden ‘afgerekend’ op ooit gemaakte fouten. Fouten uit het verleden mogen geen garantie vormen voor een eeuwig verstoorde schoolloopbaan. Ook maken de ingrediënten nog geen chefkok. Op macroniveau hebben we bovendien te maken met de ‘databaronnen‘ (educatieve data in handen van enkele grote bedrijven zoals Pearson). Daar moeten we zeer kritisch tegen over staan, omdat het gemakkelijk kan worden misbruikt of verkeerd worden gebruikt. Voordat learning analytics op meso- of macroniveau grootschalig wordt toegepast, zal eerst onderzoek uitgevoerd moeten worden naar resultaten en effecten van pilots. Verder zullen er waarborgen moeten komen op het gebied van dataprotectie en privacybescherming. Uiteindelijk zou de lerende moeten kunnen beslissen wat er met de data gebeurd na afronding van een opleiding.
  10. Voor het eerst in al die jaren beschikten alle deelnemers in het congreshotel over een vrij toegankelijk, stabiel en betrouwbaar wifi-netwerk. Met 2000 deelnemers is dat geen sinecure om voor elkaar te krijgen. Mede daardoor (?) heb ik ook veel zinvolle tweets met de hash tag #oeb13 voorbij zien komen.
  11. De Online Educa Berlijn blijft een uitstekende gelegenheid om te netwerken. Ik heb met diverse oude bekenden uit binnen- en buitenland gesproken en tips gekregen. Ook heb ik nieuwe mensen leren kennen.
  12. Voor de start van de Online Educa Berlijn had ik een aantal verwachtingen. Deze verwachtingen zijn uitgekomen. Wat betreft de ‘tone of voice‘ van de bijdragen, viel me vooral de nuchterheid en het realisme op. Op het gebied van continue professionele ontwikkeling was er vooral sprake van hoop.

 

This content is published under the Attribution 3.0 Unported license.

Delen

4 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

* Checkbox GDPR is verplicht

*

Ik ga akkoord