Zorgt een ‘live’ docent voor hogere cijfers dan een online collega?

Dat suggereerde de NRC in ieder geval de afgelopen week. Het dagblad baseerde zich daarbij op een recent gepubliceerd onderzoek. Via twitter kreeg ik zelfs de vraag of dit het einde van ‘blended learning’ inluidde. In deze blogpost ga ik in op dit onderzoek. Spoiler alert: mijn antwoord is ‘nee’.

De NRC schrijft dat universiteiten de afgelopen jaren massaal hebben ingezet op digitaal lesgeven, terwijl dit type onderwijs dus minder effectief schijnt te zijn dan

reguliere colleges waarbij docent en student zich in dezelfde ruimte bevinden, ook als het lesmateriaal verder volledig identiek is.

De NRC baseert zich hierbij op een onderzoek van Arnold L. Glass en Neha Sinha. Zij hebben gekeken naar de invloed van online versus face-to-face onderwijs binnen een cursus waarbij de helft van de studenten in de klas les kreeg, en de helft de lessen online volgde.

Ik heb het artikel in The Journal of General Psychology zelf gelezen (met dank aan Marcel Schmitz).

Geen consistentie bestaand onderzoek

In de inleiding schrijven Glass en Sinha dat er minstens één reden is waarom online instructie voor veel lerenden inherent inferieur kan zijn aan klassikaal onderwijs : de menselijke cognitieve vermogens hebben zich ontwikkeld ter ondersteuning van menselijke sociale vaardigheden (Dunbar & Sutcliffe, 2013). Daardoor vindt leren voor veel mensen plaats binnen in een sociale in plaats van niet-sociale context. Interactie met mensen is volgens de onderzoekers essentieel voor leren, waarbij zij met name verwijzen naar taalonderwijs.

Om prestaties tussen online onderwijs en face-to-face onderwijs te kunnen vergelijken, moeten volgens de onderzoekers een aantal variabelen onder controle worden gebracht:

  • De studenten moeten vergelijkbaar zijn.
  • De gepresenteerde leerinhoud moet zo veel mogelijk identiek zijn.
  • De ervaring van de docent moet zo veel mogelijk identiek zijn. Idealiter zou sprake moeten zijn van dezelfde docent.
  • De toetsen moeten dezelfde zijn.

Volgens Glass en Sinha zijn er zes experimentele studies die aan drie van de vier voorwaarden voldoen. De uitkomsten hiervan vertonen geen consistentie.

Opzet onderzoek

Zij hebben daarom een experiment opgezet waarin al deze variabelen onder controle zijn gebracht. Zelfs de instructiemethode was praktisch identiek. De cursus betrof een psychologiecursus van twaalf lessen, waarvan tien lessen of face-to-face (controlegroep) of online plaatsvonden (experimentele groep). Zevenendertig studenten hebben aan het experiment meegedaan. Geen heel grote groep, dus.

Het materiaal bestond uit 136 meerkeuzevragen. Deze vragen werden voorafgaand aan de les gesteld, na afloop en tijdens een examen. De online lessen bestonden uit PowerPoint-slides met ingesproken toelichting. Via een toetsapplicatie maakten studenten de vragen, op het moment dat dat van hen werd gevraagd. Na een uur moesten de online studenten in een chat-discussie participeren.

Tijdens de klassikale lessen is overigens ook gebruik gemaakt van student response systemen voor het beantwoorden van vragen. Verder hebben de onderzoekers bepaald wanneer studenten de vragen voorafgaand en na afloop van de lessen gingen beoordelen. Ze wilden zorgen voor gespreid oefenen.

Resultaten

Studenten die face-to-face les hebben gevolgd scoorden beter bij de ‘post-lesson’ vragen en bij het examen. Van de online studenten scoorde overigens ook nog 75% een voldoende op de examenvragen. De onderzoekers concluderen onder meer:

The better performance following live rather than online social interaction may be the cumulative result of many small differences rather than a single factor.

Mijn opmerkingen

  • Ik vind het ongelofelijk dat een zogenaamde kwaliteitskrant op basis van één studie met 37 respondenten concludeert dat studenten die een vak volgen in de collegezaal daarvan meer opsteken dan studenten die hetzelfde vak online volgen.
  • Studies vinden plaats binnen specifieke contexten. De uitkomsten kun je niet zo maar generaliseren.
  • Er zijn meer waarschijnlijk meer variabelen van invloed op de effecten. Zoals het didactische concept en de deskundigheid van docenten. Dit zou weleens de verklaring kunnen zijn voor de ‘inconsistente’ uitkomsten van de experimentele studies die in dit artikel worden beschreven. Wellicht hebben de studenten ook verschillend studiegedrag vertoond. De auteurs suggereren dit ook zelf als zij verwijzen naar individuele studiestrategieën. Wat zouden de effecten zijn geweest bij een groep van 1000 studenten? Een hoorcollege met 19 studenten is even wat anders dan een hoorcollege met 500 studenten. Vergeet ook niet dat de klassieke hoorcolleges, waarbij lerenden een passieve rol vervullen, niet heel effectief zijn (Freeman et al, 2014).
  • Glass en Sinha pleiten ervoor dat sprake moet zijn van dezelfde docent binnen de experimenten. Online onderwijs vraagt echter om andere vaardigheden. Een goede face-to-face docent is niet automatisch een goede online docent. Je moet nadrukkelijk investeren in de deskundigheid op dit terrein.
  • Er is gekozen voor een bepaalde didactische aanpak en voor bepaalde leertechnologieën en functionaliteiten. De instructiemethode in het onderzoek was identiek. Althans, er is geprobeerd om een klassikale les online te simuleren via een PowerPoint-presentatie met mondelinge toelichting. Mijns inziens een vreemde keuze. Blik nooit een hoorcollege van een uur in, als alternatief voor een hoorcollege van een uur. Wat zouden de effecten zijn van een andere aanpak? Bijvoorbeeld korte kennisclips, afgewisseld met face-to-face discussies en formatieve toetsen. Of een interactieve virtual classroom? Kies bij online leren ook voor een andere instructiemethode. Binnen een virtual classroom moet je bijvoorbeeld juist een andere aanpak kiezen, dan binnen een klassikale les. Je zult bijvoorbeeld veel meer interactiemomenten momenten moeten inbouwen om te voorkomen dat lerenden afhaken. Chat kan ook leiden tot oppervlakkige conversaties als je dit niet goed modereert. De onderzoekers geven ook aan dat uitkomsten anders hadden kunnen uitvallen als zij de beschikking hadden gehad over andere leertechnologieën die een andere didactiek konden faciliteren.
  • Wat is sociale interactie? Kun je ook online sociaal interacteren? Bijvoorbeeld door gebruik te maken van video en de microfoon, in plaats van chat?
  • Je kunt ook andere redenen hebben om volledig online les te geven, in plaats van face-to-face. Bijvoorbeeld als lerenden niet of zeer moeilijk in staat zijn bij elkaar te komen. Je neemt dan op de koop toe dat leerresultaten wat minder zijn dan bij face-to-face onderwijs. Er is immers geen alternatief. De onderzoekers onderstrepen dit ook.
  • Lerenden en docenten ervaren inderdaad vaak een ‘transactional distance’ bij online leren (cognitieve en psychologische afstand die belemmerend kan werken). Je zult maatregelen moeten treffen om die afstand te overbruggen.

Op basis van dit onderzoek moet je dus echt niet het belang van blended learning, en zelfs volledig online leren, ter discussie stellen. Het artikel onderstreept m.i. wel weer het belang om goed en kritisch na te denken over de wijze waarop je leertechnologie binnen verschillende domeinen op een didactische goede manier kunt inzetten voor effectief, efficiënt en aantrekkelijk onderwijs en opleiden. Waarbij je ook nog eens investeert in professionalisering van docenten.

Arnold L. Glass & Neha Sinha (2018): Classroom instruction results in better exam performance than online instruction in a hybrid course, The Journal of General Psychology,
DOI: 10.1080/00221309.2018.1494128

This content is published under the Attribution 3.0 Unported license.

Posted in Didactisch gebruik technologie
Tags: , , ,
2 reacties op “Zorgt een ‘live’ docent voor hogere cijfers dan een online collega?
  1. Rob Alberts schreef:

    Het blijft een vreemde vergelijking.

    Vriendelijke groet,

  2. Nils Siemens schreef:

    Beste Wilfred,
    Aansluitend op je eerste opmerking: Ik vind het opvallend dat de redacteur geen enkele academisch expert heeft geraadpleegd die niet bij het onderzoek betrokken is. Als het een medicijn-onderzoek of een sociaal-psychologie experiment was geweest, hadden ze dat vast wel gedaan. Bij de Volkskrant doen ze dat naar eigen zeggen bijv. standaard bij exacte/medische onderwerpen. Er valt over te twisten of het stijlvoller is om het nieuws ook meteen te laten duiden, of rustig af te wachten of er tegen-opinies komen (die in de NRC ook kwamen). Bij vakgebieden zoals medicijnen of natuurkunde, waar ik leek op ben, vind ik optie 1 echt prettiger.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*

* Checkbox GDPR is verplicht

*

Ik ga akkoord

Notificaties via mail?

Via email geattendeerd worden op nieuwe berichten?

Volg

Subscribe via RSS
november 2018
M D W D V Z Z
« okt    
 1234
567891011
12131415161718
19202122232425
2627282930  

Archief

Categorieën

%d bloggers liken dit: