okt 102011
 

Leernetwerken Halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw kwam ik in aanraking met de leernetwerktheorie van Ferd van der Krogt. Van der Krogt beschrijft hierin onder andere de relatie tussen de wijze waarop arbeid georganiseerd is en de manier waarop leren binnen arbeidsorganisaties georganiseerd wordt. Daarbij kijkt hij naar een breed scala aan leeractiviteiten (van cursussen en trainingen tot werkplek leren). Van der Krogt besteedt -ook in zijn latere werk- geen aandacht aan de wijze waarop technologie hierbij wordt ingezet. Een groot gemis, al is zijn gedachtengoed verder m.i. nog steeds actueel (ik heb daartoe in 2003 een poging ondernomen).

Vlak voor de zomervakantie verscheen de uitgave 'Leernetwerken. Kennisdeling, kennisontwikkeling en de leerprocessen' van mijn collega's Peter Sloep, Marcel van der Klink, Francis Brouns, Jan van Bruggen en Wim Didderen (tot stand gekomen dankzij bijdragen van een groot aantal andere CELSTEC-medewerkers). Zij zien 'leernetwerken' als een nieuwe benadering van leren in de huidige kennissamenleving. Leernetwerken definiëren zij als online sociale netwerken die speciaal zijn ontworpen om non-formeel leren te ondersteunen. Non-formeel leren omschrijven zij als bewust en doelgericht leren uit interesse of om een probleem op te lossen. Hierbij is sprake van een bepaalde mate van (zelf)organisatie van leren, echter niet in de context van traditioneel formeel onderwijs.

Technologie is in feite driver (één van de) en enabler van leernetwerken. Daarmee vullen Sloep cs een belangrijke tekortkoming van Van der Krogt op. Wat ik echter jammer vind, is dat zij geen relatie leggen met de theorie van Fred van der Krogt. Sterker: zij typeren leernetwerken als een 'noviteit' (p. 14).

Dit is echter ook meteen mijn voornaamste kritiekpunt op deze bundel. Want de auteurs verbinden in deze publicatie op een heldere en bondige manier theoretische achtergronden met praktische uitwerkingen en voorbeelden.

  • Zij gaan in op verschillende dimensies van leernetwerken (kennisvraag, leerproces, regie, startpositie, lidmaatschap, toegankelijkheid, platformkeuze en populatie).
  • In hoofdstuk twee besteden de auteurs aandacht aan het type leeractiviteiten binnen een leernetwerk, en voorwaarden voor leren in een leernetwerk (waar 'digisociale bekwaamheid' er één van is.
  • In een apart hoofdstuk bespreken zij de kwaliteit en het succes van een leernetwerk, die zij definiëren in termen van (waargenomen) sociaal kapitaal, dat een structurele, een relationele en een cognitieve dimensie heeft.
  • De samenstellers beschrijven het toepassen van een participatieve ontwerpmethode voor leernetwerken.
  • In het hoofdstuk over technologie besteedt men onder meer aandacht aan het structureren en waarderen van kennis door middel van 'BRATS'en (bookmarken, raten, annoteren, taggen en sharen).
  • Zij onderscheiden diensten die leerprocessen binnen een leernetwerk ondersteunen (zoals collegiale ondersteuning of recommender-systemen).
  • De auteurs bespreken het perspectief van de individuele lerende, die bijvoorbeeld zelfsturend moet kunnen leren om met succes in een leernetwerk te kunnen participeren.
  • Uiteraard ontbreekt ook een hoofdstuk over het organisatieperspectief op leernetwerken niet. Hierin benadrukken Steven Verjans, Marlies Bitter en Wim Didderen onder andere het belang van vertrouwen en veiligheid voor een gemanaged leernetwerk. Een hybride professioneel netwerk zien zij als veelbelovend perspectief omdat hierin persoonlijke leernetwerken gekoppeld worden aan leernetwerken onder regie van de organisatie.

Zeer sterk vind ik de epiloog waarin met behulp van een casus samenhang wordt aangebracht tussen de verschillende hoofdstukken. In dit onderdeel stellen de auteurd o.a. terecht dat leernetwerken niet de ultieme oplossing zijn voor alle leer- en opleidingsvraagstukken (p. 174). Hier zou een verbinding met Van der Krogt's theorie versterkend kunnen werken: is er een relatie tussen het type arbeid (en de wijze waarop deze is georganiseerd) en de relevantie van de inzet van leernetwerken?

De auteurs maken in deze veelomvattende publicatie duidelijk dat het ontwerpen en toepassen van leernetwerken niet alleen veelbelovend is als benadering van leren, maar ook een complex proces is.

Het boek is prima studiemateriaal binnen opleidingen over leren en ontwikkelen, maar biedt opleidingsfunctionarissen volgens mij ook concrete handvatten voor het innoveren en versterken van hun positie binnen arbeidsorganisaties. Onderwijsorganisaties kunnen zich tenslotte ook afvragen wat zij van de benadering van leernetwerken kunnen leren als het gaat om de vormgeving van leerarrangementen. Hybride leeromgevingen vormen waarschijnlijk ook een 'wenkend perspectief' voor het onderwijs.

Aanstaande vrijdag verzorgt Jan van Bruggen, één van de auteurs van Leernetwerken, een online masterclass over de vraag 'Hoe breng je leven in een online community?'

Recensie Society 3.0 (#in)

 Theorieën  Reageren uitgeschakeld
apr 112011
 

Eind jaren negentig hadden we te maken met sterk stijgende aandeelkoersen, als gevolg van de explosieve groei van de internet-sector, en hun toeleverende bedrijven. Er werd gesproken van een “nieuwe economie” waarin de financiële waarde van een (internet)bedrijf niet langer bepaald zou worden door omzet of winst, maar door het menselijk kapitaal. Über-voorspeller Maurice de Hond richtte Newconomy op, en Kevin Kelly schreef zijn “Nieuwe regels voor de nieuwe economie”.  De uitkomst is bekend: een groot aantal mensen verloor hun baan en/of veel geld omdat de wetten van de Oude Economie toch nog steeds geldigheidswaarde hadden, De Hond beperkt zich inmiddels weer tot peilingen en Kelly’s boek is bij De Slegte beland.

Hieraan moest ik denken toen ik het boek Society 3.0 van Ronald van den Hoff uit had. Van den Hoff is directeur-eigenaar van CDEF Holding BV, waartoe onder meer het succesvolle Seats2Meet behoort. In zijn boek beschrijft hij de opkomst van een ‘globale’ samenleving van ‘wereldmensen’ die gezamenlijk hun verantwoordelijkheid nemen, dankzij sociale media ‘interconnected’ zijn en op heel andere manieren waarde creëren. Deze nieuwe samenleving kenmerkt zich met name door een Interdependente Economie, die gebaseerd is op duurzaamheid, verbondenheid en wederkerigheid, en door andere vormen van samenwerking en besluitvorming.

Society 3.0 schetst het beeld van radicale veranderingen op het gebied van de leefwereld, arbeid, financiën, democratie, het onderwijs, de zorg en de ontwikkelingssamenwerking. Het zijn de zelfverantwoordelijke wereldburgers die dankzij nieuwe internettechnologie deze transformaties bewerkstelligen.

Ik geloof niet in de kracht van de verandermechanismen die Van den Hoff beschrijft. Bovendien heb ik moeite met zijn analyse van de problemen (die de urgentie om te veranderen bepalen), en met zijn mensbeeld. Maar ik heb ook waardering voor onderdelen van zijn boek.

In de inleiding en het eerste deel van Society 3.0 (dus ongeveer de eerste 120 bladzijden) stelt Ronald van den Hoff  de –in zijn ogen- misstanden van onze hedendaagse samenleving aan de orde. Zijn stijl is in dit deel die van een pamflet en doet mij sterk denken aan Pim Fortuyn. 

Hij doet mijns inziens ook aan stemmingmakerij als hij bijvoorbeeld een lange lijst met zelfstandige bestuursorganen presenteert, en daarbij in een bijzin vermeldt dat het in het kader van het boek niet relevant is te bepalen welke organisatie wel of niet een ‘quango’ is. Of als hij de eigen vermogenspositie van politie en onderwijs naar mijn idee te simpel voorstelt (“En wij maar denken dat daar altijd geld tekort is…”).

In het tweede deel van Society 3.0 schetst Van den Hoff de invloed van het “voorwaardenscheppende instrumentarium – het internet en de sociale netwerken”. Dit instrumentarium draagt er toe bij dan burgers met elkaar kunnen samenwerken in wisselende informele structuren, niet langer passieve consumenten zijn (maar ‘prosumers’), veel beter dan voorheen geïnformeerd zijn en nieuwe mogelijkheden hebben om waardenetwerken te vormen (in plaats van waardeketens), en als autonome zelfstandige professionals te voorzien in hun onderhoud. Volgens hem verlopen communicatie en samenwerking steeds intelligenter en beter waarbij producten en diensten op persoonlijke situaties zijn afgestemd.

De auteur beschrijft de kracht van sociale netwerken op een veelomvattende, heldere, en veel minder ‘schreeuwerige’ manier dan zijn analyse in deel 1. Vervolgens werkt hij de impact ervan op verschillende maatschappelijke sectoren uit. Zo zouden we niet meer moeten investeren in de uitbreiding van luchthaven Schiphol of van de Rotterdamse haven, maar in de grootste internet hub van Europa. Ook pleit hij voor innovaties van de voedselketen (en dichterbij produceren), en voor het toepassen van principes van de peer-to-peer economie.

De gevolgen voor het onderwijs komen ook summier aan bod. Van den Hoff leunt hierbij sterk op de opvattingen van de Sudburry scholen en John Moravec, en pleit voor een leven lang leren, leren in netwerken, open education, leren niet alleen op school, en actief leren:

“Onze leerinstituten moeten lerende mensen opleveren, die kennis kunnen produceren door het bestaande te delen met anderen en vervolgens te remixen met nieuwe ideeën; die verandering en ontwikkeling als noodzakelijk en tevens doodgewoon ervaren; mensen die zichzelf laten zien en zich gedragen als betekenisgevende wezens; mensen die hun eigen weten, ervaring en kennis kunnen mobiliseren en organiseren voor zichzelf en in relatie tot anderen; WereldMensen bedoel ik.”

Opvallend daarbij is dat Ronald van den Hoff geen woord wijdt aan de huidige tegengestelde tendens van standaardisering en ‘verschoolsing’. Hoewel hij in dit deel vaker de vinger op de zere plek legt, gaat hij ook in dit deel overigens regelmatig kort door de bocht. Bijvoorbeeld:

“Geef patiënten gewoon een chipje op hun zorgpas, met daarin hun medische basisgegevens en laat dat pasje updaten bij ieder (huis)artsbezoek. Combineer dat met de eigen dossiers die patiënten zelf gaan bijhouden op Google Health (gratis) en we hebben een eerste grote stap gemaakt, tegen minimale kosten.” Als je je maar enigszins hebt verdiept in de manier waarop Google omgaat met privacy, dan zul je zo’n voorstel natuurlijk nooit doen.

Mijn belangrijkste kritiekpunt op dit deel betreft echter het mensbeeld van Van den Hoff. De grote meerderheid van de mensen bestaat helemaal niet uit zelfverantwoordelijke professionals, die met elkaar waardenetwerken op basis van onder andere wederkerigheid vormen. Zij hebben juist moeite met massa’s informatie, interacties en grote aantallen applicaties, en gaan betrekkelijk passief om met sociale media. Zij verdienen hun brood binnen traditionele arbeidsorganisaties die zich zullen aanpassen aan veranderende omstandigheden, net zoals de ‘brick-and-morter’-bedrijven van vijftien jaar geleden dat hebben gedaan. Van den Hoff’s mensbeeld is m.i. te zeer gekleurd door de Zelfstandige Professionals, die hij bij Seats2Meet over de vloer krijgt. Maar dat is een minderheid, en dat zal volgens mij ook zo blijven.

Het laatste deel van Society 3.0 gaat over het functioneren van innovatieve organisaties binnen deze nieuwe samenleving., die activiteiten ordenen rond uitgangspunten als leiderschap (sturend op visie, faciliterend en verbindend), cultuur (waarbij van en aan elkaar leren essentieel is), Transactional Business Concepting (andere manieren van produceren en creëren) en Social Business Concepting (het sociale deel van het business model).

In het bovenstaande heb ik kritiek geleverd op de in mijn ogen vaak populistische, ongenuanceerde en vaak kort-door-de-bocht formulerende stijl van Ronald van den Hoff. Tegelijkertijd neem ik mijn hoed af voor de veelomvattendheid van zijn meer dan 440 pagina’s tellende boek, en de grote hoeveelheid bronnen die hij heeft geraadpleegd. Als lezer word je overspoeld door feiten, voorbeelden en concepten. Zijn opvattingen in deel 2 en 3 kunnen in het hoger onderwijs zeker worden gebruikt om te reflecteren op maatschappelijke ontwikkelingen. Vooral die passages waarin hij in zijn algemeenheid schrijft over de mogelijke impact van sociale media, en over Organisatie 3.0. Maar ik zou ook altijd andere bronnen gebruiken.

De auteur verwacht een “tsunami” aan maatschappelijke veranderingen als gevolg van virtuele sociale netwerken. Zoals gezegd geloof ik niet in een dergelijk transformatief vermogen van sociale media. Er zullen ook andere maatregelen genomen moeten worden om een dergelijke –m.i. op zich wenselijke- ‘revolutie’ te bewerkstelligen. Net zo min als internettechnologie meer dan tien jaar geleden een einde maakte aan de ‘oude economie’ (Van den Hoff spreekt van een ‘zombie economie’). Ik vrees dus dat de hoog gespannen verwachtingen (weer) niet waar worden gemaakt.

http://www.ronaldvandenhoff.nl/

http://www.society30.com/

Rubens, W. (2011). Recensie 2 door Wilfred Rubens. In: Expertise. Praktisch visieblad voor hoger onderwijs.  5/4, 26-27

 

jan 062011
 

Welke mogelijkheden bieden sociale media om effectiever te werken in netwerken? Wat betekent dit voor organisaties en managers? En hoe kunnen sociale media een ondersteunende rol vervullen in formele en informele leerprocessen?

Deze vragen staan volgens de achterkant centraal in het boek "En nu online…Sociale media voor professionals, organisaties en facilitatoren" van Joitske Hulsebosch en Sibrenne Wagenaar. De auteurs benaderen sociale media in dit boek vanuit het perspectief van collectief leren. Daarbij hanteren zij de volgende driedeling, die zich o.a. voorzien van uitleg en praktijkvoorbeelden:

  1. Gebruik van sociale media in de werksituatie van een professional.
  2. Gebruik van sociale media als team en organisatie.
  3. Het faciliteren van online leren waarbij gebruik wordt gemaakt van sociale media.

Het boek start met een uitgebreide inleiding op begrippen als web 2.0 en sociale media. Hieruit blijkt weer eens een beperking van een papieren uitgave. Bloglines en Delicious worden bijvoorbeeld prominent als voorbeeld van tools genoemd…

Vervolgens gaan de auteurs in op online professionaliseren waarbij informeel leren in verbinding met anderen een cruciale rol speelt. Interacties vinden daarbij plaats in een dynamisch web, waarbij vaak verschillende sociale media worden gebruikt. Professionals zijn daarbij vaak op zoek naar autonomie, ontplooiing en flexibiliteit, schrijven de auteurs. Zij zien vijf hoofdstrategieën om als professional gebruik te maken van sociale media. Netwerken en personal branding zijn daar twee voorbeelden van.

In het derde hoofdstuk bespreken Hulsebosch en Wagenaar hoe je voor jezelf een strategie kunt ontwikkelen voor het werken met sociale media. In dit hoofdstuk werken zij de vijf hoofdstrategieën verder uit. Het valt mij op dat ik deze strategieën zelf toepas, maar er vooraf nooit expliciet over na heb gedacht. Ik ben sociale media puur uit nieuwsgierigheid gaan gebruiken, en omdat ik vind dat het verkennen van nieuwe technologie bij mijn 'vak' hoort. Web 2.0-technologie is voor mij inderdaad essentieel geworden om informatie te scannen, te zoeken en te verwerken. En ik probeer inderdaad met name via twitter, enkele LinkedIn-groepen en mijn blog te participeren in online conversaties. Maar ik heb nooit expliciet nagedacht over het ontwikkelen van een strategie hiervoor. In dit hoofdstuk vind je ook een overzicht van nadelen en valkuilen, zoals het onvoldoende oog hebben voor face-to-face ontwikkelingen of het verlies aan concentratie en techno-stress.

De auteurs gaan vervolgens in op de vraag hoe je sociale media in je dagelijkse werk kunt inzetten. Een belangrijke vraag daarbij is hoe je routines kunt ontwikkelen. Ik ben het daarbij niet altijd eens met de aanbevelingen die zij geven. Zij stellen bijvoorbeeld dat het "soms" (?) beter kan zijn om een klein aantal RSS-feeds te volgen. Juist door er veel te volgen, is mijn ervaring, herken je wat belangrijk is. Het onderscheid tussen kenniswerk en een "bursty" werkstijl (waarbij relaties o.a. belangrijk zijn, en je druk bent door niet continu productief te zijn) was in dit hoofdstuk nieuw voor mij. Wat ik hier wel mis is een kritische reflectie op de productiviteit van deze "bursty" werkstijl. De samenstellers benadrukken wel het belang van bepaalde bekwaamheden om met sociale media zinvol te werken (zoals het vinden van een balans tussen afleiding en focus).

In het tweede deel van hun boek gaan Hulsebosch en Wagenaar in op de mogelijkheden van sociale media vanuit een breder organisatieperspectief ('organisatie 2.0', met cijfers over het gebruik van sociale media in organisaties), en verkennen zij hoe je als organisatie de kracht van sociale media kunt benutten. Vaak, schrijven de auteurs terecht, vergt dit een veranderingsproces omdat een open cultuur van delen en samenwerken voorwaardelijk is voor het succesvol gebruik van sociale media. Dit deel bevat veel handige, maar summier geformuleerde, tips voor de inbedding van sociale media binnen organisaties. De laatste twee hoofdstukken van dit deel gaan tenslotte over collectief leren en samenwerken in teams met behulp van sociale media. Daarbij valt mij op dat er nauwelijks onderscheid te maken valt tussen collectief (informeel) leren en samenwerken.

Deel drie gaat tenslotte in op het ontwerpen en faciliteren van online leren. De auteurs beginnen dit hoofdstuk met een inleiding over online leren, waarna zij een aantal leerinterventies beschrijven waarbij sociale media worden ingezet (zoals een webconferentie of e-coaching). In het één na laatste hoofdstuk komen aspecten van het ontwerpen van online leerprocessen aan de orde. In dit hoofdstuk vind je bijvoorbeeld overwegingen bij de dynamiek die je wilt stimuleren, of bij de vraag welke combinatie van face-to-face en online leren je wilt kiezen. Voor wie 'pasklare' antwoorden zoekt, zal dit hoofdstuk gelukkig een teleurstelling zijn. Dergelijke antwoorden zijn niet te geven! De verschillende handreikingen bieden wel stof tot nadenken bij het maken van keuzes binnen je eigen context.

Tenslotte staat de rol van de facilitator centraal in het boek "En nu online…Sociale media voor professionals, organisaties en facilitatoren". Hulsebosch en Wagenaar onderscheiden een technische rol, een faciliterende rol en een management- en procedurele rol (een bekend onderscheid). Als facilitator kun je verder verschillend invulling geven aan je rol. Modereer je, of 'speel' je de inhoudelijke expert? Via cartoons worden de typen online facilitator geïllustreerd.

De auteurs richten met deze publicatie overduidelijk niet op de gevorderde, professionele, gebruiker van sociale media. Een handige leeswijzer helpt wel bij het selectief doornemen van het boek. Toch vraag ik me wel eens af of het medium 'boek' wel past bij professionals die al jaren actief zijn op hun vakgebied.

Het is wel een prettig leesbaar, en mooi opgemaakt, boek. De auteurs laten een groot aantal aspecten de revue passeren. De vele voorbeelden zijn zeer illustratief. De tips en tools aan het eind van elk deel zijn erg handig.

Op onderdelen is kritiek zeker mogelijk. Zoals op de eenzijdige passage over de zogenaamde generatieverschillen. Ook mis ik regelmatig verdieping, ook voor relatieve beginners. Doordat er heel wat aspecten worden aangestipt, gaan de auteurs op aan aantal hiervan wat oppervlakkig in. Een voorbeeld is het faciliteren van belangrijke momenten in een online samenwerkingsproces. De relatieve 'newbie' wordt wellicht ook overweldigd door de veelheid aan facetten die worden aangestipt. Adviseer je met sociale media startende collega of leidinggevende daarom vooral de tijd te nemen om dit boek te bestuderen.

Ik heb het boek met plezier gelezen, ondanks dat veel voor mij 'gefundenes Fressen was. Ik zal het ook zeker als naslagwerk gaan gebruiken. Bijvoorbeeld het hoofdstuk over de implementatie van sociale media binnen organisaties, dat je kunt gebruiken om te reflecteren op bestaande situaties.

sep 122010
 

Onlangs is het Handboek Scenarioplanning van Mario van Rijn en René van der Burgt verschenen. René, die ik enkele jaren geleden heb leren kennen, vroeg me of ik belangstelling had om dit handboek te bespreken. Ja, dus.

Ik ben de afgelopen tien jaar namelijk een aantal keren in aanraking gekomen met scenariostudies. Scenario's kunnen zeer behulpzaam zijn bij de ontwikkeling van strategisch beleid. Maar wat mij ook is bijgebleven, is dat het vaak blijft bij het ontwikkelen van scenario's. Vervolgens gaat men over tot de orde van de dag. Ik was dan ook vooral benieuwd of dit handboek hier handvatten voor biedt. Het antwoord is 'ja', zoals zal blijken.

Het eerste dat opvalt, is dat dit mooi boek is. Mooi vormgegeven, met veel figuren, overzichtelijke tabellen, voorbeelden en checklists. Handig is ook de woordenlijst en het trefwoordenregister aan het eind. Verder is het boek erg leesbaar geschreven.

Het boek bestaat uit vijf delen. Deel 1 legt de basis van scenarioplanning uit (waarom, typen scenario's, hoe te ontwikkelen, toepassen en borgen). Scenarioplanning definieren Van Rijn en Van der Burgt als

"een instrument waarbij je scenario's ontwikkelt om de toekomst te verkennen. Dit met als doel in een organisatie strategische beslissingen effectiever en efficiënter te kunnen nemen."

Scenarioplanning is volgens de auteurs vooral zinvol als managers beslissingen moeten nemen, terwijl er sprake is van een hoge mate van onzekerheid.

Wat dat betreft vind ik de naam 'scenarioplanning' een vreemde. Een planning is een proces om een bepaald doel te bereiken. Bij scenarioplanning ontwikkel je meerdere scenario's, die vervolgens worden uitgewerkt in strategische keuzes. Scenariostudie, -denken of -analyse vind ik persoonlijk gelukkiger gekozen. Maar goed: scenarioplanning is schijnbaar een gebruikelijke term.  

De auteurs nemen in het eerste deel uitgebreid de tijd om de basis van scenarioplanning uit de doeken te doen. Zij leggen begrippen als discontinuïteiten en controversies uitvoerig toe. Erg informatief is paragraaf 3.7 waarin zij het scenarioplanningsproces in nog geen dertig pagina's samenvatten en illustreren aan de hand van een casus.  

De andere delen gaan dieper in op:

  • Voorbereiding van een scenariotraject.
  • Ontwikkeling van scenario's. Hierbij gaat men onder meer in op het uitvoeren van analyses op macro- en mesoniveau. Ook bespreekt men bijvoorbeeld zeven principes die van belang zijn om creatieve en geloofwaardige scenario's te ontwikkelen, en negen manieren om scenario's te verbeelden.
  • Toepassen van scenario's. De auteurs gaan hier in op het gebruik van scenario's voor strategische awareness (bewustwording, dus), strategische evaluatie en strategische ontwikkeling. Zij beschrijven bijvoorbeeld dat strategische doelstellingen doorvertaald moeten worden naar diverse beleidsterreinen van de organisatie, zoals R&D en de levering van producten/diensten. Vertaal dat eens naar onderwijs en opleiden, en lees dan nog eens paragraaf twee van deze bespreking…..
  • Borgen van een scenariotraject. Hieronder valt o.a. het van tijd tot tijd herijken van de scenario's. Zijn er bijvoorbeeld nieuwe omgevingsfactoren die vragen om bijstelling? Een ander middel om scenariotrajecten te borgen is het stimuleren van toekomstbewustzijn via organizational learning (organisatieleren). Mario van Rijn en René van der Burgt gaan hierbij uit van het ontwikkelen en uitvoeren van een curriculum binnen een organisatie, waarbij gwerkt dient te worden aan maar liefst zeventien competenties waarin zij toekomstbewustzijn hebben gespecificeerd. Ondanks dat zij drie niveaus van 'competent zijn' op dit terrein onderscheiden (participant, practicioner, master practicioner), lijkt me dit wat veel van het goede voor een organisatie (organisaties moeten zich immers in veel meer zaken bekwamen dan alleen 'toekomstbewustzijn').

Ik ben al met al positief over het Handboek Scenarioplanning. Het bevat veel informatie over tal van aspecten van scenarioplanning, en is -zoals gezegd- helder geschreven en geïllustreerd. Met name de delen 2 tot en met 5 kun je volgens mij het beste als naslagwerk gebruiken.

Ik heb twee hoofdpunten van kritiek:

  1. De auteurs richten richten zich op een breed publiek, van HBO-studenten tot managers. Toch vind ik het handboek vooral een boek voor studenten. Dat heeft te maken met de uitvoerigheid van de toelichtingen (zoals de typologie van soorten plannen of beschrijving van orakels als oorsprong van scenarioplanning), sommige gebruikte voorbeelden (denk aan scenario's voor een huwelijksreis) en het vermelden van minder relevante feiten (de Nobelprijswinnaar Economie van 1994, John Nash, was onderwerp van de film 'A beautiful Mind'; mooie film, trouwens). Managers verliezen dan hun geduld. Voor paragraaf 3.7. geldt dit nadrukkelijk niet.
  2. Daar waar de auteurs soms lang van stof zijn (zie 1.), mis ik op sommige terreinen een uitgebreidere uiteenzetting. Over strategisch bewustzijn en organisatieleren had ik bijvoorbeeld meer willen lezen.

De auteurs zijn ook van plan op hun website aanvullend materiaal op te nemen (vanaf 30 september). 

Bestelgegevens:

  Handboek Scenarioplanning

Uitvoering:

Pagina's:
Prijs:
Auteurs:
Uitgever:

Beschikbaar:
ISBN:
EAN:
NUR:

Hard cover
Full color
492
€ 49,50
Mario van Rijn & René van der Burgt
Kluwer B.V.

31 augustus 2010
978-90-13-07697-4
9789013076974
Management algemeen (801)

 

mrt 282010
 

Wat motiveert mensen? Die vraag probeert Daniel Pink te beantwoorden in zijn boek: "Drive. The Surprising Truth About What Motivates Us". Het antwoord op die vraag is onder meer relevant voor het onderwijs, voor innovatie, HRM en talentontwikkeling. Wat betreft opbouw als inhoud een origineel boek, dat ik de afgelopen weken met veel plezier heb gelezen. Een absolute aanrader!

Opbouw

"Drive" begint met drie inleidende hoofdstukken die illustreren dat we moeten gaan nadenken over andere manieren van motiveren. Deel twee van zijn boek bevat het theoretisch kader in drie delen. Zoals zo veel Amerikaanse bestseller auteurs illustreert Daniel Pink de theorie met veel praktijkvoorbeelden, zodat de theorie erg toegankelijk wordt. Deel drie vormt een gereedschapskist. Je vindt hierin onder meer tips om als individu je motivatie aan te wakkeren, tips voor organisaties om de prestaties van je bedrijf, afdeling of groep te verbeteren, en negen ideeën voor ouders en onderwijsgevenden. Deze 'toolkit' bevat ook een lijstje met 'goeroes', een overzicht met aanbevolen boeken en een handige woordenlijst. Pink geeft hier ook maar liefst drie samenvattingen:

  • Voor twitter.
  • Om tijdens een borrel te vertellen.
  • Per hoofdstuk.

Handig en overzichtelijk. Zowel voor mensen die belangstelling hebben voor theoretische achtergronden, als voor meer praktisch ingestelde personen.

Inhoud

Volgens Daniel Pink stelt onze hedendaagse samenleving andere eisen aan de manier waarop mensen gemotiveerd kunnen worden. De wortel en de stok werken goed bij routinematig werk (Motivation 2.0). Dergelijk werk komt echter steeds minder vaak voor. Je ziet zelfs, schrijft Pink, dat "if-then" beloningen averrechts kunnen werken (denk aan de graaicultuur binnen bedrijven).


Volgens Pink hebben organisaties steeds meer "
Type I behaviour" nodig: gedrag dat vooral bepaald wordt door intrinsieke motivatie:


It is powered by our innate need to direct our own lives, to learn and create new things, and to do better by ourselves and our world. (p. 211).


Wij vertonen in onze vroege jaren dergelijk gedrag. Op school en tijdens het werk leren we dat helaas af. Gelukkig kunnen we het ook weer aanleren.


Daarvoor verbindt Pink
motivatieonderzoek van Deci en Ryan met het onderzoek van Csikszentmihalyi naar flow. Drie elementen zijn dan essentieel om "motivatie 3.0" te stimuleren:

  • Autonomie. Mensen zouden autonomie moeten hebben ten aanzien van hun taak, tijd, groep en hoe zij hun werk kunnen uitvoeren. Pink geeft ook voorbeelden van medewerkers die minder invloed hebben op de groep waarmee zij werken, maar wel veel autonomie hebben ten aanzien van de uitvoering van hun werk. Een concreet voorbeeld zijn de "FedEx Days": medewerkers werken één dag aan de oplossing van een probleem dat zij zelf mogen kiezen. Na 24 uur presenteren zij de resultaten van hun werk aan collega's (vandaar ook de naam).
  • Meesterschap. Betrokkenheid is van groot belang voor "motivatie 3.0". En betrokkenheid bereik je pas met meesterschap. Daarbij is het van belang dat het werk dat je moet uitvoeren past bij je talenten. Volgens Pink is meesterschap een 'mindset': het is altijd voor verbetering vatbaar, je kunt meesterschap in feite nooit bereiken. Maar daardoor blijft het streven er naar, stimuleren.
  • Doel. Je laat je leiden door een doel, dat belangrijker is dan winst. Doelmaximalisatie vormt dan het "guiding principle". Dit doel is vaak in een kernzin samen te vatten.


Hoe werkt dat bijvoorbeeld voor het onderwijs? Eén van de voorbeelden, die Pink geeft, heeft te maken met huiswerk dat hij liever 'thuis leren' noemt. Je kunt je daarbij als docent bijvoorbeeld afvragen of je leerlingen voldoende autonomie geeft over hoe en wanneer zij de taak uitvoeren. Daarnaast kun je je als docent afvragen of de taak meesterschap bevordert doordat leerlingen moeten werken aan een nieuwe, motiverende taak of dat de taak gericht is op het herformuleren van iets wat al tijdens de les aan de orde is gekomen.


Pink slaat wat mij betreft de spijker op zijn kop met zijn pleidooi voor meer "Type I" gedrag en een groter beroep op zelf-motivatie door meer autonomie, meesterschap en doelgerichtheid. Dit past ook naadloos bij de
kritiek op de wijze waarop het onderwijs leerprestaties beoordeeld. Het onderwijssysteem is helaas gestoeld op gestold wantrouwen. De overheid wantrouwt de schoolleiding, de schoolleiding wantrouwt onderwijsgevenden, en onderwijsgevenden wantrouwen leerlingen. Daniel Pink's benadering biedt handvatten om dat te doorbreken. Daarbij weet hij oude theorieën zodanig te verbinden en te relateren aan moderne praktijkvoorbeelden dat nieuwe inzichten ontstaan. Pink zegt daar zelf over:


It's just taken us a generation to reckon with it. (p 73)

Het boek: "Drive. The Surprising Truth About What Motivates Us" is samen met The Element van Ken Robinson en Disruptive Class van Clayton Christensen cs het meest inspirerende boek dat ik de laatste jaren heb gelezen.


Bekijk ook de TED-toespraak van Daniel Pink over motivatie:


Zie ook:
Wat motiveert ons?